Wettelijke verdeling en wilsrechten bij hertrouwen

Inleiding

De wettelijke verdeling heeft een duidelijke functie. Als iemand overlijdt en een echtgenoot en kinderen achterlaat, hoeft de langstlevende niet direct met de kinderen af te rekenen. De goederen van de nalatenschap gaan van rechtswege naar de langstlevende echtgenoot. De kinderen erven wel, maar krijgen in beginsel geen goederen of geld uitgekeerd. Zij krijgen een geldvordering op de langstlevende ter grootte van hun erfdeel.

Die vordering is volgens de wet in beginsel pas opeisbaar wanneer de langstlevende overlijdt, failliet wordt verklaard of wanneer de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op hem of haar van toepassing wordt. In een testament kunnen daarnaast andere opeisbaarheidsgronden zijn opgenomen. Dat systeem beschermt de langstlevende. Maar die bescherming heeft ook een keerzijde.

Want wat gebeurt er wanneer de langstlevende na enkele jaren een nieuwe partner ontmoet en opnieuw trouwt? Wat als vermogen dat oorspronkelijk afkomstig was van de eerst overleden ouder uiteindelijk bij die nieuwe echtgenoot terecht dreigt te komen? En wat kan een kind doen wanneer juist bepaalde goederen uit de familie voor hem of haar van betekenis zijn?

Daar komen de wilsrechten in beeld.

In gesprek met de notaris over wilsrechten

Eerst de wettelijke verdeling: wel erven, maar nog niets ontvangen

Een eenvoudig voorbeeld.

Frank en Monique zijn getrouwd en hebben twee kinderen. Frank overlijdt zonder testament. Zijn nalatenschap bedraagt na aftrek van de schulden € 480.000. Monique en de twee kinderen zijn ieder voor een derde erfgenaam. Door de wettelijke verdeling krijgt Monique echter alle goederen van de nalatenschap. De twee kinderen krijgen ieder een geldvordering van € 160.000 op hun moeder.

De kinderen zijn dus wel degelijk erfgenaam, maar krijgen hun erfdeel niet in goederen of geld uitgekeerd. Hun erfrechtelijke positie bestaat uit een vermogensrecht: een geldvordering die mogelijk pas vele jaren later daadwerkelijk wordt betaald. De wettelijke verdeling brengt daarmee een duidelijk onderscheid aan tussen het erfgenaam zijn en het feitelijk kunnen beschikken over het geërfde vermogen.

Dat verschil is belangrijk. Zolang Monique leeft, kan zij in beginsel over de door haar verkregen goederen beschikken. De kinderen zitten financieel gezien in een wachtkamer. Daar is bewust voor gekozen: de langstlevende moet na het overlijden van zijn of haar partner niet worden gedwongen bijvoorbeeld de woning te verkopen om de erfdelen van de kinderen uit te betalen.

Maar de werkelijkheid stopt niet op de datum van overlijden. Mensen krijgen nieuwe relaties, trouwen opnieuw, geven vermogen uit en vormen samengestelde gezinnen. Daardoor kan het belang van de langstlevende op enig moment botsen met het belang van de kinderen uit de eerdere relatie.

Het stieffamiliegevaar

De wet kent daarom vier zogenoemde wilsrechten in de artikelen 4:19 tot en met 4:22 BW. Die rechten zijn juist bedoeld als tegenwicht in situaties waarin goederen van de eerst overleden ouder uiteindelijk bij een stiefouder of diens familie terecht kunnen komen. De wetsgeschiedenis spreekt in dat verband expliciet over het stieffamiliegevaar. Daarbij spelen twee verschillende belangen.

Het eerste is het zekerheidsaspect. Een kind kan belang hebben bij het veiligstellen van vermogen waarop zijn geldvordering uiteindelijk verhaal moet kunnen vinden.

Het tweede is het affectieaspect. Sommige goederen vertegenwoordigen meer dan alleen hun economische waarde: een schilderij van een grootouder, sieraden, een horloge, een verzameling of andere familiestukken waaraan voor het kind bijzondere betekenis is verbonden.

De wilsrechten proberen een evenwicht te creëren tussen deze belangen van het kind en het belang van de langstlevende om financieel verder te kunnen leven. Een belangrijk juridisch onderscheid daarbij is dat een wilsrecht niet hetzelfde is als de geldvordering zelf. Het is een bevoegdheid van het kind die, wanneer deze wordt uitgeoefend, kan leiden tot een verplichting om goederen over te dragen. Dat voorkomt een te eenvoudige voorstelling van zaken: een kind kan bij een nieuwe partner van vader of moeder niet zonder meer zeggen: betaal mijn erfenis maar uit. Zo werkt het niet.

1. De langstlevende ouder wil opnieuw trouwen — artikel 4:19 BW

Stel dat Monique enkele jaren na het overlijden van Frank een nieuwe partner ontmoet en opnieuw wil trouwen.

De kinderen hebben op dat moment nog steeds hun geldvordering uit de nalatenschap van Frank. Artikel 4:19 BW geeft een kind in deze situatie de mogelijkheid om van Monique overdracht van goederen te verlangen tot maximaal de waarde van zijn geldvordering, inclusief een eventuele wettelijke verhoging. Dat betekent niet automatisch dat het kind vanaf dat moment vrij over die goederen kan beschikken.

De wet beschermt namelijk óók Monique. De overdracht vindt in beginsel plaats onder voorbehoud van vruchtgebruik. Het kind wordt dan eigenaar — juridisch aangeduid als hoofdgerechtigde of in de praktijk vaak als bloot eigenaar — terwijl Monique het vruchtgebruik behoudt. Een woning kan daardoor bijvoorbeeld juridisch bij het kind terechtkomen, terwijl Monique deze nog mag blijven gebruiken. Dat is wezenlijk anders dan het simpelweg opeisbaar maken en uitbetalen van de geldvordering.

2. De langstlevende is hertrouwd en overlijdt — artikel 4:20 BW

Een tweede situatie ontstaat wanneer de langstlevende na het eerste overlijden is hertrouwd en vervolgens zelf overlijdt. Op dat moment wordt de oorspronkelijke geldvordering van het kind op de langstlevende sowieso opeisbaar door diens overlijden.

Maar er kan daarnaast iets anders spelen.

Wanneer de langstlevende bij overlijden opnieuw gehuwd was, kan artikel 4:20 BW het kind het recht geven om overdracht van goederen te verlangen tot maximaal de waarde van de oorspronkelijke geldvordering. Die verplichting rust in beginsel op de stiefouder en, afhankelijk van de wijze waarop de nalatenschap wordt afgewikkeld, mogelijk op de andere erfgenamen. Hier komt vooral het affectieaspect duidelijk naar voren.

Een kind hoeft daardoor niet noodzakelijk genoegen te nemen met betaling in geld wanneer bijvoorbeeld specifieke familiegoederen inmiddels in de nalatenschap van de langstlevende terecht zijn gekomen. Dit wilsrecht wordt daarom ook wel gezien als een herkansing. Heeft het kind bij het eerdere hertrouwen geen gebruikgemaakt van artikel 4:19 BW, dan kan bij het overlijden van de hertrouwde ouder opnieuw een mogelijkheid ontstaan om goederen te verkrijgen.

3. Een kind krijgt een vordering op zijn stiefouder — artikel 4:21 BW

De familierechtelijke verhoudingen kunnen nog ingewikkelder zijn.

Stel dat iemand overlijdt en zijn of haar echtgenoot niet de ouder is van het kind. Door toepassing van de wettelijke verdeling kan het kind dan een geldvordering krijgen op zijn stiefouder. Artikel 4:21 BW geeft het kind in die situatie de mogelijkheid overdracht van goederen te verlangen tot maximaal de waarde van de geldvordering. Ook hier vindt die overdracht in beginsel plaats onder voorbehoud van vruchtgebruik voor de stiefouder.

Dit wilsrecht ontstaat dus niet pas wanneer de stiefouder gaat hertrouwen of overlijdt. Het vloeit voort uit het enkele feit dat het kind door het overlijden van zijn eigen ouder een niet-opeisbare vordering op een stiefouder heeft gekregen. Dat is een wezenlijk andere positie dan bij artikel 4:19 BW.

4. De stiefouder overlijdt — artikel 4:22 BW

Het vierde wettelijke wilsrecht speelt wanneer de stiefouder op wie het kind zijn erfrechtelijke geldvordering heeft, vervolgens overlijdt.

De erfgenamen van die stiefouder kunnen dan op verzoek van het kind verplicht zijn goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste de geldvordering, inclusief een eventuele verhoging. Ook hier geldt dat de geldvordering door het overlijden al opeisbaar is geworden. Het bijzondere van het wilsrecht zit dan vooral in de mogelijkheid om voldoening in de vorm van goederen te verlangen.

Daarmee sluiten de vier wettelijke wilsrechten op elkaar aan, maar ze zijn juridisch niet identiek. Twee rechten spelen terwijl de langstlevende of stiefouder nog leeft; twee andere rechten krijgen juist betekenis rond diens overlijden.

Bloot eigendom betekent niet dat het goed onaantastbaar is

“Het vermogen staat voorgoed vast” is net te breed; het gaat juridisch om het overgedragen goed.

De wet sluit aan bij de algemene vruchtgebruikregels, maar geeft de kantonrechter daarnaast de mogelijkheid de langstlevende bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke vervreemding en vertering toe te kennen als diens verzorgingsbehoefte of de verplichtingen uit art. 4:13 lid 2 BW dat nodig maken. Daar hoort bovendien art. 4:23 lid 3 BW bij. Als zo'n goed wordt vervreemd, krijgt de hoofdgerechtigde in beginsel een vordering op de langstlevende ter grootte van de waarde van het goed op het moment van vervreemding. Het recht verdwijnt dus niet simpelweg doordat het oorspronkelijke goed uit beeld raakt.

In Rb. Zeeland-West-Brabant 9 juli 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:5502, werd na uitoefening van art. 4:21 BW een aandeel in een woning overgedragen onder voorbehoud van vruchtgebruik. De stiefouder vroeg daarnaast om bevoegdheid tot vervreemding en vertering, maar de kantonrechter wees dat verzoek af omdat de gestelde verzorgingsbehoefte onvoldoende cijfermatig was onderbouwd.

Wilsrechten kunnen jarenlang blijven sluimeren

Nog een bijzonder aspect is dat een wilsrecht niet noodzakelijk direct wordt uitgeoefend.

Een kind kan gedurende langere tijd niets doen. Het recht kan dan als het ware blijven sluimeren. Voor de langstlevende kan dat onzekerheid geven. Artikel 4:25 BW biedt daarom mogelijkheden om duidelijkheid te creëren. De langstlevende kan het kind onder voorwaarden een redelijke termijn stellen om zich uit te spreken over het al dan niet uitoefenen van het wilsrecht. Ook moet een kind dat een wilsrecht wil uitoefenen de andere kinderen daarover informeren.

Bovendien staat de wettelijke regeling niet altijd vast. Een erflater kan in een testament de wettelijke wilsrechten uitbreiden, beperken of opheffen. Wie uitsluitend naar de wettelijke hoofdregel kijkt zonder het testament te lezen, kan daarom tot een verkeerde conclusie komen.

Dat is geen theoretisch risico. In een zaak die uiteindelijk bij de Hoge Raad (8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2595) en daarna bij Hof Den Haag (28 oktober 2014:GHDHA:2014:3858) terechtkwam, waren in een testament de wilsrechten van art. 4:19 en 4:20 BW uitgesloten, terwijl juist art. 4:21 en 4:22 BW voor de betreffende gezinssituatie relevant waren. De Hoge Raad oordeelde dat de bepaling in het testament, bezien tegen de verhoudingen die het testament kennelijk wilde regelen, geen duidelijke zin had. Daardoor mochten bij de uitleg ook daden en verklaringen van de erflater buiten het testament worden betrokken. Na verwijzing oordeelde Hof Den Haag uiteindelijk dat art. 4:21 BW wel was uitgesloten, maar art. 4:22 BW niet.

Ook overdracht van de geldvordering heeft gevolgen

Een geldvordering uit de wettelijke verdeling is een vermogensrecht en kan in beginsel worden overgedragen. Maar dat betekent niet dat alle rechten die eraan verbonden waren automatisch met de vordering meegaan.

Artikel 4:25 lid 5 BW bepaalt juist dat, voor zover het kind zijn geldvordering aan een ander overdraagt, de bevoegdheden uit de artikelen 4:19 tot en met 4:22 BW tenietgaan. Dat kan een aanzienlijke consequentie zijn. Iemand die alleen naar de nominale waarde van de vordering kijkt, kan daardoor missen dat een overdracht tegelijkertijd juridische bescherming kost.

Ook fiscaal verdient overdracht afzonderlijke aandacht. De box 3-defiscalisering van artikel 5.4 Wet IB 2001 is gekoppeld aan specifiek omschreven erfrechtelijke vorderingen op de echtgenoot van een overleden ouder. Wanneer de vordering opeisbaar wordt of wordt overgedragen, moet daarom opnieuw worden beoordeeld of nog aan die voorwaarden wordt voldaan.

Bij overdracht aan een derde die niet in de bedoelde ouder-kindrelatie tot de schuldenaar staat, valt de vordering niet meer onder de defiscalisering van art. 5.4 Wet IB 2001. Bij overdracht aan een broer of zus ligt dat minder eenvoudig. De nieuwe schuldeiser is dan nog steeds kind van de langstlevende, maar de vraag is of de door cessie verkregen vordering voor hem of haar nog kan worden aangemerkt als een vordering die voortvloeit uit de verdeling van de nalatenschap. Voor zover ik kan nagaan, is die specifieke vraag niet in gepubliceerde rechtspraak of expliciete wetsgeschiedenis beantwoord. Een stellige conclusie zou ik daarom vermijden.

Civielrechtelijke eigendom en fiscale toedeling lopen niet altijd gelijk

Ook het omgekeerde komt voor.

Wanneer een kind gebruikmaakt van artikel 4:19 of 4:21 BW en goederen krijgt overgedragen waarop de langstlevende het vruchtgebruik behoudt, verandert civielrechtelijk de gerechtigdheid tot die goederen. Het kind wordt hoofdgerechtigde, terwijl de langstlevende het vruchtgebruik behoudt.

Voor box 3 sluit de wet niet eenvoudig bij die civielrechtelijke eigendomsverhouding aan. Op grond van artikel 5.4 lid 3 onder b Wet IB 2001 behoren de betreffende goederen niet tot de box 3-bezittingen van het kind. Vervolgens bepaalt lid 5 dat deze goederen bij de langstlevende in aanmerking worden genomen voor de waarde die zij zouden hebben als daarop geen vruchtgebruik zou rusten.

Wie civielrechtelijk hoofdgerechtigde is, is dus niet noodzakelijk degene bij wie de waarde van het goed fiscaal in box 3 wordt toegerekend.

De betekenis van een erfrechtelijke keuze kan tientallen jaren doorwerken

De wettelijke verdeling lijkt bij het eerste overlijden vaak betrekkelijk eenvoudig: alles blijft bij de langstlevende en de kinderen krijgen een vordering. Maar achter die eenvoud gaat een rechtsverhouding schuil die tientallen jaren kan blijven bestaan.

Een nieuw huwelijk kan wilsrechten activeren. Een testament kan die rechten veranderen. Een overdracht van een geldvordering kan rechten doen verdwijnen. De fiscale behandeling kan afwijken van de civielrechtelijke eigendomsverhoudingen. En een oude, niet-opeisbare erfrechtelijke vordering kan veel later opnieuw relevant worden, bijvoorbeeld bij het overlijden van de langstlevende of bij een echtscheiding van het kind. Of zo'n vordering bij een scheiding moet worden verdeeld, hangt af van het toepasselijke huwelijksvermogensregime. Bij een huwelijk onder de vóór 2018 geldende algehele gemeenschap viel een erfrechtelijke vordering in beginsel in de gemeenschap, tenzij bijvoorbeeld een uitsluitingsclausule gold. Bij huwelijken waarop de sinds 2018 geldende beperkte gemeenschap van toepassing is, blijft een erfrechtelijke verkrijging in beginsel privé, tenzij bijvoorbeeld een testamentaire insluitingsclausule van toepassing is.

Juist omdat dergelijke niet-opeisbare vorderingen voor de inkomstenbelasting gedefiscaliseerd kunnen zijn, zijn zij niet zichtbaar in de aangifte inkomstenbelasting. Daardoor kunnen zij gemakkelijk worden gemist wanneer een vermogensinventarisatie voornamelijk op fiscale gegevens is gebaseerd. Het ontbreken van een vordering in de aangifte betekent dus niet dat die vordering juridisch niet bestaat. De kern is niet dat wilsrechten kinderen een garantie geven dat het vermogen van hun overleden ouder uiteindelijk bij hen terechtkomt. Die garantie geven ze niet. Wilsrechten zijn wettelijke bevoegdheden die tegenwicht bieden aan de sterke positie die de langstlevende door de wettelijke verdeling krijgt. Ze beschermen zowel het zekerheidsbelang als het affectiebelang van kinderen, maar binnen een systeem waarin ook de positie en verzorging van de langstlevende zwaar wegen.

Een testament moet daarom niet alleen worden beoordeeld op de vraag wat er gebeurt op het moment van overlijden. Minstens zo belangrijk is de vraag wat er daarna met de mensen, hun relaties en het vermogen kan gebeuren.

Over de auteur

Willem Jonkers is gecertificeerd financieel planner, estate planner en register erkend scheidingsadviseur. Hij heeft in die combinatie van certificeringen en ervaring veel kennis van de relatie tussen de financiële én juridische organisatie binnen gezinnen en de onderneming. Lees meer over Willem of over nalatenschap en schenken.

Volgende
Volgende

Casus: Pensioenplanning voor DGA met vastgoed - van complexiteit naar overzicht