Casus: Pensioenplanning voor DGA met vastgoed - van complexiteit naar overzicht
De casus is echt. De inhoud is geanonimiseerd conform mijn beleid.
Inleiding
Een stel uit de regio Breda kwam bij mij met een vraag die eenvoudig klinkt: kunnen wij blijven leven zoals we nu leven?
Hun situatie was ruim, maar lastig te overzien. Het vermogen zat verspreid over meerdere BV's, deels ondernemend en deels belegd of liquide, naast verhuurd vastgoed in Nederland en Spanje en privévermogen. Hun leven speelt zich deels in Nederland en deels in Spanje af. In Nederland wilden zij een woning kopen die beter bij hun huidige levensfase past. En zij vormen een samengesteld gezin met kinderen uit eerdere relaties.
Die combinatie maakt dat bijna elke financiële keuze meteen ook een fiscale en een juridische keuze is. Een beslissing over dividend, over verkoop van een pand, over de financiering van de woning of over wat er straks vererft, raakt niet alleen de belastingdruk. Die raakt ook de liquiditeit, de bescherming van de partner, de positie van de kinderen en de vraag of het geheel later nog uitvoerbaar is. Dat beoordeel je niet goed met één losse berekening.
Er was geen tekort. Integendeel: er was vermogen, en er kwam vermogen vrij. Alleen zat dat vermogen verspreid over BV's, privé, vastgoed en bezit in het buitenland. Richting pensionering verandert dan de functie van vermogen. Het hoeft niet meer vooral te groeien of ondernemingsrisico te dragen. Het moet beschikbaar, begrijpelijk en bruikbaar worden voor het leven dat je wilt leiden.
Daarom begin ik niet bij producten, constructies of fiscale optimalisatie, maar bij twee vragen. Eerst: wat moet het geld voor deze mensen doen — inkomen geven, rust, keuzevrijheid, bescherming van de partner, ruimte om minder te werken, of juist eenvoud op latere leeftijd? Daarna: welke risico's zijn acceptabel, welke zijn onnodig, en zijn de risico's die in het plan zitten echt nodig om het doel te halen? Die volgorde voorkomt dat je een fiscaal slimme structuur bouwt die in het dagelijks leven minder rust geeft. Dat is de kern van integrale financiële planning voor ondernemers en DGA's: inkomen, BV-vermogen, vastgoed, fiscaliteit, huwelijkse voorwaarden, nalaten en levenstestamenten in samenhang beoordelen. Niet om techniek toe te voegen, maar om keuzes te maken die financieel kloppen, fiscaal verdedigbaar zijn en later ook praktisch uitvoerbaar blijven.
De casus in het kort
Het stel wilde één ding weten: is de manier waarop wij nu leven ook op lange termijn houdbaar? Hun leven speelt zich deels in Nederland en deels in Spanje af. In Nederland wilden zij een passende woning kopen — zonder dat alle financiële ruimte meteen in stenen of in fiscale optimalisatie zou verdwijnen. Er moest ruimte blijven voor reizen, onderhoud aan het vastgoed, toekomstige keuzes en de latere levensfase.
Financieel speelden mee: vermogen in meerdere BV's, deels ondernemend en deels belegd of liquide; verhuurd vastgoed in Nederland en Spanje; en vermogen in box 3. Juridisch speelden mee: een samengesteld gezin met kinderen uit eerdere relaties, huwelijkse voorwaarden, testamenten en levenstestamenten. En op de achtergrond de mogelijkheid dat de fiscale woonplaats op termijn verandert.
Zo'n situatie beoordeel je niet goed met één losse berekening. Een BV-hypotheek, dividendbeleid, verkoop van vastgoed, box 2, box 3, huwelijkse voorwaarden, testamenten en verblijf in Spanje beïnvloeden elkaar. Een keuze die fiscaal aantrekkelijk lijkt, kan elders juist zorgen voor minder liquiditeit, meer juridische kwetsbaarheid of praktische problemen bij overlijden, wilsonbekwaamheid of latere vereenvoudiging.
De uitkomst in het kort
De financiële positie bleek sterk genoeg om het gewenste leven te dragen. In de doorrekening ontstaat pas ver voorbij de negentig een tekort op het gewenste besteedbaar inkomen. Extra risico nemen of rendement maximaal najagen was dus niet nodig. Dat is een belangrijk vertrekpunt: als het doel al haalbaar is, moet een plan vooral voorkomen dat er onnodige risico's bij komen.
Voor de aankoop van de woning in Nederland lag financiering vanuit de BV voor de hand. Daarmee hoefde niet ineens een groot bedrag aan dividend naar privé te worden gehaald. Dat hield de directe box 2-heffing beperkt en voorkwam dat privévermogen zonder noodzaak werd uitgehold. In de planning betekent dit concreet dat er ruim tien jaar lang geen dividend uit de BV's nodig is om het gewenste inkomen te halen.
Zo'n BV-hypotheek moet wel zakelijk worden ingericht: een marktconforme rente, een schriftelijke leningsovereenkomst, en hypothecaire zekerheid die via de notaris in het kadaster wordt gevestigd. Een positieve of negatieve hypotheekverklaring is niet genoeg. Even belangrijk en vaak over het hoofd gezien: voor deze nieuwe eigenwoningschuld geldt bovendien een aflossingseis. Er moet ten minste annuïtair worden afgelost, contractueel én feitelijk. Een aflossingsschema dat op papier staat maar niet wordt uitgevoerd, kost de aftrek alsnog.
Datzelfde aflossingsvereiste speelt bij de regeling voor excessief lenen bij de eigen vennootschap. De uitzondering voor de eigen woning geldt niet zomaar voor iedere lening met een woning als onderpand: het moet gaan om een schuld die als eigenwoningschuld kwalificeert en waarvoor hypotheekrecht aan de BV is verstrekt. Voldoet de lening daar niet aan, dan telt zij mee voor de grens waarboven een fictief voordeel in box 2 wordt belast — en die grens geldt voor beide partners samen, over alle vennootschappen.
Bij de woningfinanciering speelde ook de bijleenregeling. Uit een eerdere eigen woning was een eigenwoningreserve ontstaan. Zolang die reserve bestaat, verlaagt zij het deel van een nieuwe lening dat als eigenwoningschuld kan kwalificeren — met gevolgen voor de renteaftrek én voor de uitzondering onder de excessief-lenenregeling. Zo'n reserve vervalt drie jaar na toevoeging. In deze casus was die termijn vóór aankoop van de nieuwe woning verstreken, zodat de reserve de kwalificatie van de nieuwe financiering niet meer beperkte. Het relevante punt is de volgorde: vóór het passeren moet duidelijk zijn wanneer de reserve is ontstaan, of zij nog bestaat en welk deel van de lening daardoor fiscaal als eigenwoningschuld kan kwalificeren. Geen constructie, maar tijdsverloop en fiscale kwalificatie — precies het soort detail dat je alleen ziet als woonsituatie, fiscaliteit en financiering in samenhang worden beoordeeld.
Daarna kwam de vraag of een toekomstige verkoopopbrengst uit vastgoed direct moest worden gebruikt om extra af te lossen. Mijn advies was van niet — waarom, leg ik verderop uit. Fiscaal optimaal is niet altijd klant-optimaal.
Veel vermogen in de holding is nog geen financieel plan
Bij DGA's zit vermogen zelden op één plek. Een deel zit in de BV, een deel in privé, een deel in vastgoed — dat laatste soms privé en soms zakelijk, en in dit geval deels in het buitenland. Daaroverheen liggen fiscale claims, dividendbeleid, leningen tussen privé en BV, huwelijkse voorwaarden en testamentaire regelingen.
Op papier kan zo'n positie ruim zijn. De praktische beschikbaarheid valt dan vaak tegen.
Geld in de BV is niet hetzelfde als vrij besteedbaar privévermogen. Er rust een aanmerkelijkbelangclaim op, en die claim wordt pas zichtbaar op het moment dat je het geld nodig hebt. Daarom presenteer ik vermogen in een plan altijd ná aftrek van die latenties. Anders reken je jezelf rijk met geld dat voor een aanzienlijk deel al van de Belastingdienst is.
Vastgoed is evenmin vanzelf liquide. Niet alleen de waarde telt, maar ook of een pand beschikbaar is voor verkoop op het moment dat je het geld nodig hebt. Bij verhuurd vastgoed hangt dat mede af van huurcontracten, leegstand en de markt; de timing ligt dus niet volledig bij de eigenaar. Buitenlands vastgoed brengt daarbovenop lokale regels, buitenlandse aangiften en beheer op afstand mee. En bij een samengesteld gezin moet juridisch helder zijn wie beschermd wordt, op welk moment, en met welke gevolgen voor de anderen.
Ook de leenverhouding tussen DGA en BV verdient scherpe beoordeling. Een lening van de eigen vennootschap kan prima in een planning passen, maar zij mag het fundament eronder niet uithollen. Dat geldt zeker voor de rekening-courant. Als de schuld aan de BV zo omvangrijk is dat een realistische planning feitelijk niet meer mogelijk is, neem ik de opdracht niet aan als gewone planningsopdracht. Dan moet eerst dat probleem worden opgelost. In deze planning was de rekening-courant niet het probleem, maar de regeling voor excessief lenen speelde wel mee: of de woningfinanciering als eigenwoningschuld kwalificeert, bepaalt hoeveel ruimte resteert voor andere leningen bij de eigen BV's.
Het advies ging daarom niet over één optimale constructie, maar over het ordenen van het geheel: behoud van huurinkomsten zolang die nodig zijn, tijdige fiscale voorbereiding op een mogelijke verhuizing naar Spanje, juridische regelingen die ook uitvoerbaar blijven, en ruimte om op latere leeftijd bewust te vereenvoudigen.
De BV-hypotheek als passende oplossing
Voor de woning in Nederland lag financiering vanuit de BV om twee redenen voor de hand: de BV beschikte over de liquiditeiten, en zij wilden in privé voldoende vrij besteedbaar vermogen houden. De alternatieven waren minder aantrekkelijk. Een banklening betekent dat de volledige rente het huishouden verlaat. Contant betalen uit een dividenduitkering betekent dat er in één keer een grote box 2-heffing wordt afgerekend over vermogen dat anders nog jaren in de BV had kunnen renderen.
Dat verklaart ook waar het voordeel van deze route vandaan komt, en waar niet. Het zit niet in de rente zelf: die is bij de BV gewoon belastbare winst. Wat er gebeurt: privé betaalt rente aan de BV, de BV betaalt daarover vennootschapsbelasting, en over wat er later als dividend uitkomt volgt alsnog box 2-heffing. De rente verlaat het huishouden dus niet, maar er lekt onderweg wel belasting weg. Daar staat tegenover dat de rente in box 1 aftrekbaar is, mits de schuld als eigenwoningschuld kwalificeert.
Per saldo blijft van de bruto rente maar een fractie over als netto fiscale last van de rentestroom. Dat is precies wat die berekening meet: de belasting die onderweg weglekt. Het zijn niet de volledige economische kosten van de financiering — daarvoor zou je ook moeten meewegen wat het uitgeleende kapitaal anders had kunnen opleveren, en dat vraagt een andere vergelijking. Hoe groot die fractie is, hangt af van twee tarieven: het vennootschapsbelastingtarief waartegen de rente in de BV wordt belast, en de box 2-schijf waarin het dividend uiteindelijk valt. Bij een BV die in de eerste schijven zit, is het effect groot; bij een winstgevende onderneming waarin ook nog dividend voor het levensonderhoud wordt uitgekeerd, valt het aanzienlijk minder gunstig uit. Wie dit voor zichzelf uitrekent, moet dus met zijn eigen marginale tarieven rekenen en niet met een percentage uit een voorbeeld.
Nog iets wat in zulke berekeningen wegvalt: het rekenresultaat is een economische eindstand, geen maandlast. Privé moet de rente elk jaar daadwerkelijk betalen. De terugstroom naar privé ontstaat pas als er dividend wordt uitgekeerd, en dat vraagt een besluit, een uitkeringstoets en inhouding van dividendbelasting. In deze casus was het advies juist om dividend voorlopig níét uit te keren. Het voordeel is er dan wel, maar het zit in de waarde van de BV en niet op de betaalrekening. Dat is precies het onderscheid waar het in dit hele plan om draait: vermogen aanwezig is iets anders dan vermogen beschikbaar.
De lening wordt daarmee ook onderdeel van de kasstroomplanning richting pensionering. De verplichte aflossing moet ieder jaar uit de privékasstromen worden betaald. Zolang daarvoor voldoende inkomen en vrij beschikbare liquiditeit aanwezig zijn, hoeft dat geen probleem te zijn. Later kan een moment ontstaan waarop daarvoor dividend uit de BV nodig is. Dan wordt eerst box 2 afgerekend over geld dat vervolgens als aflossing naar dezelfde BV terugvloeit. Tegelijk neemt de schuld op de eigen woning af en komt een groter deel van het privévermogen in de woning vast te zitten. Dat is geen reden om de financiering niet zo vorm te geven, maar wel een kasstroomeffect dat over de volledige looptijd moet worden meegenomen.
Bancaire lijfrente: gericht gebruiken, niet maximaal
Ook lijfrente kwam aan bod. Bij DGA's wordt daarover vaak geredeneerd vanuit de beschikbare jaar- en reserveringsruimte: er is fiscale ruimte, dus die moet worden benut. Dat is te kort door de bocht — maar de tegenwerping die je meestal hoort, is dat óók.
Die tegenwerping luidt: aftrek nu tegen een hoog tarief, heffing later tegen een laag tarief, dus het gaat alleen om het tariefverschil. Dat is maar één van de drie factoren die meespelen.
De tweede is dat lijfrentekapitaal buiten box 3 valt. Bij een lange horizon telt dat vaak zwaarder dan het tariefverschil, en dat blijft zo onder een stelsel van werkelijk rendement. De derde is dat het alternatief voor een DGA meestal niet "in privé houden" is, maar "in de holding laten staan". Rendement dat in de BV wordt gemaakt, draagt eerst vennootschapsbelasting en bij uitkering nog box 2. Binnen een lijfrente groeit het onbelast tot het moment van uitkeren. De vergelijking is dus niet alleen "aftrek nu tegen heffing later", maar ook "belastingdruk op het rendement gedurende de hele looptijd".
Voor één van beiden was gerichte opbouw daarom interessant. Het inkomen kwam nu deels boven de eerste tariefschijf uit, waardoor de inleg tegen het hoge tarief aftrekbaar was. De uitkeringen zouden vanaf de AOW-leeftijd naar verwachting grotendeels in de eerste schijf vallen, waarover bovendien geen AOW-premie meer verschuldigd is. Dat tariefverschil is aanzienlijk en concreet genoeg om opbouw te rechtvaardigen — maar alleen tot het niveau waarop het hoge tarief daadwerkelijk wordt geraakt. Daarboven verdwijnt precies het voordeel waarvoor je het doet.
Voor de ander lag het anders. Het huidige inkomen bleef in de eerste schijf, terwijl het verwachte inkomen na de AOW-leeftijd niet lager uitkwam. Zonder tariefverschil moet het voordeel dus volledig uit de andere twee factoren komen, en dat woog hier niet op tegen wat je ervoor inlevert.
Want dat is de vierde factor, en in deze casus de doorslaggevende. Geld dat in een lijfrente wordt gestort, is niet meer vrij beschikbaar — niet voor de woning, niet voor onderhoud aan het vastgoed, niet voor zorgkosten of voor keuzes in de latere levensfase. Tussentijds eruit stappen kan wel, maar dan wordt de afkoopwaarde in box 1 belast en kan daarnaast revisierente verschuldigd zijn. In een plan waarin de vrij besteedbare liquiditeit binnen ongeveer vijftien jaar grotendeels wordt opgebruikt, is dat geen theoretisch bezwaar. Elke euro die je vastzet, moet je later ergens anders vandaan halen.
Mijn advies was daarom niet om voor beiden maximaal te storten, maar om gericht op te bouwen waar het tariefverschil echt bestaat, en voor de rest vermogen beschikbaar te houden. Lijfrente is in zo'n planning geen standaardoplossing, maar een instrument dat past als het tariefvoordeel, het rendementsvoordeel, de inkomensplanning en de gewenste flexibiliteit dezelfde kant op wijzen. Wijzen ze verschillende kanten op, dan is de fiscale ruimte een mogelijkheid en geen opdracht.
Waarom extra aflossen niet automatisch beter was
In de planning kwam ook de vraag op wat te doen met toekomstige liquiditeit die uit vastgoed kan vrijkomen. Die zou kunnen worden gebruikt om een deel van de BV-hypotheek af te lossen. Een begrijpelijke gedachte: minder schuld betekent minder rente, minder heen-en-weer tussen privé en BV, en ogenschijnlijk meer eenvoud.
Alleen: aflossen is geen kostenbesparing, het is een verplaatsing. Het geld gaat van box 3 naar de BV en verlaagt daar een vordering. Wat je wint aan rente, verlies je aan beschikbaarheid.
En daar begint het te schuiven. Zonder die liquiditeit moet het gewenste besteedbaar inkomen eerder uit dividend komen. Dat betekent eerder box 2 afrekenen, en dus eerder belasting betalen over geld dat anders nog jaren in de BV had kunnen renderen. Tegelijk daalt de box 3-grondslag, wat juist voordelig is. Drie effecten die tegen elkaar in werken, en pas als je ze samen doorrekent zie je wat er per saldo overblijft.
Eén methodologische kanttekening: voor 2026 en 2027 is gerekend met het huidige forfaitaire stelsel, vanaf 2028 met het beoogde stelsel van werkelijk rendement. Dat laatste is per augustus 2026 nog geen definitieve wetgeving — het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen, maar de Eerste Kamer heeft de stemming aangehouden in afwachting van een aangekondigde novelle. Voor de aangehouden liquiditeit maakt dat weinig verschil, omdat het om spaardeposito's gaat.
Wat er overbleef, was weinig. Over de volle looptijd tot ver na de negentig leverde de aflosvariant iets meer netto vermogen op — een verschil dat in verhouding tot de totale vermogenspositie klein is, en in koopkracht van vandaag ongeveer de helft van wat het nominaal lijkt.
Daar stond een concreet verlies tegenover. De vrij besteedbare privéliquiditeit zou direct fors dalen, en juist die liquiditeit is in de eerste vijftien jaar nodig: voor de aankoop van de woning, voor de aanvulling op het inkomen, en om dividenduitkeringen te kunnen uitstellen. In deze planning komt dat dividend ruim tien jaar lang helemaal niet op gang. Dat is geen bijkomstigheid — het is het resultaat waar de liquiditeit voor betaalt.
Mijn advies was daarom om vrijkomende middelen uit vastgoed niet automatisch te gebruiken voor extra aflossing. Liquiditeit is geen rekenkundige restpost maar keuzevrijheid, en richting pensionering wil je voorkomen dat vermogen wel aanwezig is maar op de verkeerde plek zit. Niet elke fiscaal efficiënte euro hoeft te worden vastgezet.
Vastgoed geeft inkomen, maar ook complexiteit
Het verhuurde vastgoed had een duidelijke functie: de huurinkomsten dragen bij aan het gewenste besteedbaar inkomen, en zij doen dat over de volle looptijd van de planning. Directe verkoop van alles lag daarom niet voor de hand — dan verdwijnt een inkomensbron die je vervolgens uit vermogen moet vervangen, met eerder dividend en dus eerder box 2-heffing tot gevolg.
Toch beoordeel je vastgoed niet alleen op rendement. Verhuur vraagt beheer, onderhoud, administratie, fiscale verwerking en beslissingen bij leegstand, verbouwing of verkoop. Bij bezit in het buitenland komen daar lokale regels, buitenlandse aangiften en afstand bij.
En er is nog iets wat op papier niet zichtbaar is: je bepaalt de timing niet altijd zelf. Bij verhuurd vastgoed hangt het moment waarop een pand tegen de gewenste voorwaarden kan worden verkocht mede af van huurders, huurcontracten en eventuele leegstand. Dat moment valt niet noodzakelijk samen met het moment waarop het geld nodig is. Daarom hoort niet alleen de verwachte waarde, maar ook de praktische verkoopbaarheid in de liquiditeitsplanning thuis.
Zolang de huurinkomsten nodig zijn en het beheer goed te organiseren is, kan aanhouden verstandig zijn. Maar richting latere leeftijd verandert de afweging. Dan gaat eenvoud zwaarder wegen dan extra rendement. Minder panden betekent minder huurders, minder onderhoud, minder administratie en meer liquide vermogen — en het voorkomt dat de langstlevende alleen met een omvangrijke vastgoedportefeuille achterblijft.
In deze casus was daarom geen harde keuze nodig tussen alles houden of alles verkopen. Het advies was om het vastgoed nu niet onnodig af te bouwen, maar latere vereenvoudiging wel als reële route in de planning op te nemen. Rond een jaar of vijfenzeventig, of eerder als het beheer gaat knellen. Dat is geen fiscale noodzaak maar een levensfasekeuze, en juist daarom hoort zij nu al in het plan te staan: dan is het straks een geplande stap in plaats van een gedwongen verkoop.
Dat past bij de bredere functie van vermogen in deze fase. Vermogen moet niet steeds meer aandacht vragen. Het moet inkomen geven, beschikbaar blijven en bijdragen aan rust en keuzevrijheid.
Spanje tijdig fiscaal voorbereiden
Hun leven speelt zich deels in Spanje af, met als uitgangspunt maximaal 180 dagen per jaar. Dat getal is geen toeval en het is ook geen ruime marge. Wie méér dan 183 dagen per kalenderjaar in Spanje verblijft, wordt daar in beginsel fiscaal inwoner. De marge is dus klein, en zij is kleiner dan zij lijkt: bij die telling kunnen ook sporadische afwezigheden meetellen, tenzij fiscale residentie elders wordt aangetoond.
Belangrijker nog: het dagencriterium is niet het enige. Spanje kan iemand ook als inwoner aanmerken wanneer de kern van diens economische belangen daar ligt, ongeacht het aantal dagen. Bij een echtpaar met Spaans vastgoed, huurinkomsten uit Spanje en een groeiend deel van het leven daar, is dat geen theoretische bepaling. En Spanje kent geen gebroken belastingjaar: word je in de loop van het jaar inwoner, dan geldt dat in beginsel voor het hele kalenderjaar. Het moment van verhuizen bepaalt daarmee de behandeling van maanden die al voorbij zijn.
Daar komt bij dat een deel van de Spaanse verplichtingen nú al geldt. Wie in Spanje vastgoed bezit en verhuurt, is daar buitenlands belastingplichtig: aangifte over de huurinkomsten, en mogelijk vermogensbelasting over het Spaanse bezit. Spanje is in deze casus dus geen toekomstscenario met een startdatum, maar een bestaande situatie die bij emigratie van karakter verandert — van heffing over Spaans bezit naar heffing over wereldinkomen en wereldvermogen.
Wat er verandert bij emigratie
Voor een DGA met Nederlandse BV's raakt zo'n verhuizing veel meer dan de privéaangifte. Vooraf moet in elk geval worden beoordeeld: vanaf welk moment iemand fiscaal inwoner van Spanje wordt en of beide landen die woonplaats claimen; hoe de tie-breaker in het belastingverdrag dan uitwerkt; of emigratie leidt tot een conserverende aanslag over de aanmerkelijkbelangclaim en wat Nederland daarna nog mag heffen; hoe Spanje kijkt naar Nederlandse BV-aandelen, dividend en Nederlands vastgoed; waar de feitelijke leiding van de BV's zich bevindt; en welke Spaanse aangifte- en rapportageverplichtingen ontstaan.
Drie daarvan verdienen aparte aandacht.
De conserverende aanslag is geen aanslag die vanzelf verdampt. Sinds 2015 vervalt de claim niet meer na tien jaar; hij blijft in beginsel staan. Het verleende uitstel van betaling kan bovendien geheel of gedeeltelijk worden beëindigd wanneer er dividend wordt uitgekeerd, volgens een wettelijke berekening waarin ook de Nederlandse dividendbelasting en de feitelijk in het woonland geheven belasting meewegen. De Belastingdienst heeft dat voor emigratie naar Spanje specifiek uitgewerkt. Dat grijpt rechtstreeks in op het dividendbeleid dat elders in dit plan is uitgestippeld: de uitkeringen die na verloop van tijd nodig zijn voor het besteedbaar inkomen, kunnen na emigratie een heel andere uitwerking krijgen. Of Nederland de claim daadwerkelijk kan innen, hangt mede af van het aanmerkelijkbelangvoorbehoud in het verdrag. Het verdrag met Spanje bevat zo'n voorbehoud, maar met criteria uit een ander tijdperk dan die van moderne verdragen. Dat vraagt om toetsing per situatie, niet om een aanname.
De feitelijke leiding van de BV's is het tweede punt. Verplaatst het bestuur feitelijk mee naar Spanje, dan kan de vennootschap daar als inwoner worden aangemerkt. Nederland houdt via de vestigingsplaatsfictie vast aan een naar Nederlands recht opgerichte BV, met dubbele vestigingsplaats en mogelijk een fiscale eindafrekening als gevolg. Dit is bij uitstek een onderwerp waarover niet ná vertrek moet worden nagedacht: bestuursbesluiten, vergaderlocaties en de vraag wie waar tekent, zijn feiten die je vooraf inricht of achteraf moet uitleggen.
Het derde is de Spaanse vermogensheffing. Spanje kent een vermogensbelasting die voor inwoners geldt over het wereldwijde vermogen — inclusief buitenlandse deelnemingen en buitenlands vastgoed. De vrijstelling bedraagt op nationaal niveau € 700.000 per persoon, maar de heffing is regionaal: het verschil tussen de ene en de andere autonome regio is aanzienlijk. Daarbovenop komt een landelijke solidariteitsheffing op grote vermogens, die regionale kortingen deels neutraliseert. Voor een DGA met een vermogens-BV en verhuurd vastgoed kan dit een jaarlijkse last worden die in Nederland geen equivalent kent. Daarnaast kan voor buitenlands vermogen vanaf € 50.000 per categorie een informatieplicht ontstaan. "Waar in Spanje" is daarmee een fiscale vraag, niet alleen een woonvraag.
Het verdrag zelf verandert
Nog een reden om dit vroeg op te pakken: het belastingverdrag tussen Nederland en Spanje dateert uit 1971 en is sindsdien niet gewijzigd. Het is een van de oudste verdragen die Nederland nog toepast. Inmiddels is overeenstemming bereikt over een nieuw verdrag, maar dat is nog niet ondertekend en de tekst is niet openbaar. Wat er precies in komt te staan, valt dus nog niet te beoordelen. Wel staat vast dat een emigratie die over enkele jaren plaatsvindt, moet worden getoetst aan het verdrag dat op dát moment geldt — en niet aan het verdrag van vandaag.
En dan het erfrecht
Bij een samengesteld gezin is er nog een gevolg dat vaak over het hoofd wordt gezien. Binnen de EU bepaalt in beginsel het recht van het land waar iemand zijn gewone verblijfplaats heeft, wat er met de nalatenschap gebeurt. Wordt Spanje die verblijfplaats, dan kan Spaans erfrecht van toepassing worden — met dwingende aanspraken voor kinderen die verder gaan dan de Nederlandse legitieme en die per regio verschillen. Een Nederlands testament dat is ingericht op langstlevendenbescherming en de positie van kinderen is daar niet zonder meer op berekend.
Dat is te ondervangen met een uitdrukkelijke rechtskeuze voor Nederlands recht in het testament. Zo'n rechtskeuze kan ook later nog worden gemaakt, maar het is verstandig haar vóór die verschuiving expliciet vast te leggen. Anders is het hele juridische bouwwerk uit de volgende paragraaf van deze casus gebouwd op een aanname die niet meer geldt.
Timing is de kern
Bij internationale situaties bepaalt de volgorde de uitkomst. Wie eerst verhuist en daarna advies inwint, loopt achter de feiten aan: woonplaats, verblijfsduur, bestuur, gebruik van vastgoed en dividendbesluiten zijn dan al ontstaan en niet meer terug te draaien. Mijn advies was daarom om de Nederlandse accountant tijdig te betrekken en gespecialiseerde begeleiding in Spanje te zoeken zodra emigratie concreet wordt — niet om een ingewikkelde internationale structuur te bouwen, maar om vooraf te weten waar de claims liggen, welke keuzes nog openstaan en welke stappen beter niet onbedoeld worden gezet.
Juridische regelingen: bescherming én uitvoerbaarheid
Bij een samengesteld gezin zijn huwelijkse voorwaarden, testamenten en levenstestamenten geen bijlage bij de financiële planning. Ze bepalen mede of het plan later nog werkt. Wie is beschermd bij overlijden? Welke positie hebben de kinderen? Hoeveel ruimte houdt de langstlevende? En wie kan handelen als een van beiden niet meer zelf kan beslissen?
Daarom raakt deze casus direct aan advies bij nalaten en advies bij huwelijkse voorwaarden. Niet als losse documenten, maar als onderdeel van dezelfde werkelijkheid. Een keuze die fiscaal logisch lijkt, kan bij overlijden anders uitpakken. En een bepaling die beschermend is bedoeld, moet later ook uitvoerbaar blijven.
Huwelijkse voorwaarden: de volgorde van overlijden bepaalt de uitkomst
Een belangrijk onderdeel van de juridische toets was een finaal verrekenbeding bij overlijden. Zo'n beding kan bepalen dat bij het eerste overlijden wordt afgerekend alsof beide partners recht hebben op de helft van het gezamenlijke vermogen. Tijdens het huwelijk en bij echtscheiding verandert er niets; het beding werkt alleen bij overlijden en leidt tot een geldelijke verrekening, niet tot een gemeenschap.
Dat kan een logische aanvulling zijn. Vóór toepassing van het erfrecht wordt dan eerst de onderlinge vermogensverhouding verrekend, waardoor de civielrechtelijke positie van de langstlevende beter kan aansluiten bij de beschermingsgedachte van het testament.
Maar bij een groot vermogensverschil tussen partners ontstaat een asymmetrie die je pas ziet als je beide overlijdensscenario's uitwerkt. Overlijdt de meest vermogende het eerst, dan kan het beding doen wat ermee werd beoogd: de langstlevende krijgt via de huwelijkse voorwaarden al een sterkere positie voordat het testament in werking treedt.
Overlijdt de minst vermogende het eerst, dan kan het effect omdraaien. Er ontstaat dan een verrekenvordering van de nalatenschap op de langstlevende. De nalatenschap wordt daardoor groter dan zij op eigen kracht zou zijn, de erfrechtelijke aanspraken van de kinderen kunnen toenemen en de langstlevende kan erfbelasting en uitgestelde vorderingen tegenover zich krijgen over vermogen dat economisch uit de eigen positie afkomstig is.
Dat kan vooral bezwaarlijk zijn als een groot deel van het vermogen in een holding zit. De verrekening ontstaat civielrechtelijk, terwijl de liquiditeit om haar af te wikkelen niet zonder meer privé beschikbaar is. Bij de waardering moet bovendien rekening worden gehouden met stille reserves en fiscale claims, en niet alleen met de balanswaarde.
Daarom moet zo'n beding altijd in beide overlijdensscenario's worden beoordeeld. Het kan verdedigbaar zijn en in het ene scenario goed aansluiten bij het doel, maar in het andere scenario juist ongunstig uitpakken. Dat is precies het soort inzicht dat je mist wanneer huwelijkse voorwaarden en financiële planning los van elkaar worden beoordeeld.
Testament: bescherming die om uitvoering vraagt
Ook de testamenten combineerden verschillende lagen van langstlevendenbescherming met regelingen voor de positie van de kinderen en voor de uitvoering na overlijden. De precieze clausules zijn minder belangrijk dan de vraag of zij onderling aansluiten en later ook praktisch uitvoerbaar blijven.
Twee aandachtspunten zijn daarbij illustratief.
Het eerste is de rente op geldvorderingen van kinderen. Als die rente niet jaarlijks wordt betaald maar wordt bijgeschreven en samengesteld, geeft dat de langstlevende ruimte, maar kan de schuld aan de kinderen over een lange periode fors oplopen. Over een langstlevendeperiode van twintig of dertig jaar kan zo'n vordering uitgroeien tot een veelvoud van de oorspronkelijke hoofdsom. Dat is geen detail meer, maar een substantiële verschuiving van vermogen richting de kinderen.
Het tweede is de liquiditeit bij het eerste overlijden. Geldvorderingen van kinderen kunnen dan nog niet opeisbaar zijn, terwijl de erfbelasting daarover wel verschuldigd is en in geld moet worden voldaan. Bij een nalatenschap die vooral uit BV-vermogen en vastgoed bestaat, kan dat betekenen dat dividend moet worden uitgekeerd of vastgoed moet worden verkocht op een moment dat je dat liever niet doet. Dat is dezelfde liquiditeitsvraag die de hele financiële planning beheerst, alleen nu op het slechtst denkbare moment.
Bij kinderen uit eerdere relaties speelt bovendien de positie van legitimarissen. Let daarbij op een verschil dat vaak wordt gemist: een stiefkind is geen legitimaris van de stiefouder. Als een stiefkind meedeelt in de nalatenschap, is dat omdat het testament dat regelt — niet omdat de wet dat afdwingt. Wie zo'n bepaling later wijzigt, verandert daarmee meer dan hij denkt.
Bij dit type nalatenschap moet de uitvoering na overlijden niet alleen juridisch en fiscaal kloppen, maar ook praktisch te organiseren zijn. BV-vermogen, vastgoed en kinderen uit verschillende relaties maken de afwikkeling meer dan een administratieve handeling. Professionele executele en deskundige fiscale begeleiding kunnen dan discussie, vertraging en fouten voorkomen — en houden de verhoudingen binnen het gezin zoveel mogelijk buiten de uitvoering.
Levenstestament: kaders in plaats van verboden
Ook het levenstestament vraagt bij dit type vermogen om nuance. De partner als eerste gevolmachtigde ruim bevoegd maken kan logisch zijn: partners moeten elkaar kunnen helpen en snel kunnen handelen, zeker als er ondernemingen en vastgoed in het spel zijn.
Voor opvolgende gevolmachtigden ligt dat anders. Een regeling zonder onafhankelijk toezicht, gecombineerd met absolute verboden op schenken of verkoop van de woning, kan te star en praktisch kwetsbaar zijn. Zo'n absoluut verbod kan later nadelig uitpakken: bij een hogere eigen bijdrage voor zorg, bij onnodig hoge erfbelasting of bij doorlopende woonlasten voor een woning waar niemand meer terugkeert.
Tegelijk wil je voorkomen dat opvolgende gevolmachtigden zelfstandig met vermogen kunnen schuiven — zeker bij een samengesteld gezin.
Een werkbare oplossing is kaders plus toezicht. Schenken en verkoop van de woning kunnen mogelijk blijven, maar uitsluitend met voorafgaande toestemming van een onafhankelijke toezichthouder. Voor schenkingen kun je de kring van begunstigden en de onderlinge gelijkheid vooraf begrenzen en bevoordeling van een gevolmachtigde zelf uitsluiten. Bij een samengesteld gezin is dat geen formaliteit, maar de kern van de bescherming.
Dat maakt de regeling niet zwaarder, maar werkbaarder.
Eén voorbehoud
Dit hele bouwwerk gaat uit van Nederlands erfrecht. Verschuift de gewone verblijfplaats naar het buitenland, dan is die aanname niet vanzelf houdbaar — met een uitdrukkelijke rechtskeuze in het testament wél. Juridische bescherming en fiscale woonplaats zijn dus niet twee onderwerpen, maar één.
Waarom dit geen losse fiscale optimalisatie was
Bijna elk onderdeel van deze casus kon afzonderlijk worden geoptimaliseerd. De financiering kon fiscaal worden doorgerekend. Vrijkomende liquiditeit uit vastgoed kon worden gebruikt om af te lossen. De beschikbare lijfrenteruimte kon worden benut. De juridische regelingen konden verder worden verfijnd. Elk van die keuzes is op zichzelf verdedigbaar. Bij elkaar opgeteld leveren ze niet vanzelf het beste plan op.
Dat is geen stelling, dat bleek. Drie keer in deze casus liep een op zichzelf logische optimalisatie stuk op iets wat er buiten stond.
Extra aflossen op de hypotheek gaf een licht hoger eindvermogen. Maar het haalde de dividenduitkeringen naar voren, en daarmee de box 2-heffing — precies in de jaren waarin de vrije liquiditeit al krap wordt.
De beschikbare lijfrenteruimte volledig benutten leek gratis geld. Maar in een plan waarin de vrij besteedbare middelen binnen ongeveer vijftien jaar grotendeels zijn opgebruikt, is elke vastgezette euro er een die je later ergens anders vandaan moet halen.
En een finaal verrekenbeding kan civielrechtelijk logisch lijken, maar bij een groot vermogensverschil kan de omgekeerde overlijdensvolgorde een onverwachte vordering en liquiditeitsvraag oproepen.
Steeds dezelfde structuur: een keuze die binnen zijn eigen kader klopt, maar elders een prijs heeft die je alleen ziet als je het geheel doorrekent.
Dat komt doordat de functie van vermogen richting pensionering verandert. Het hoeft niet meer primair te groeien of ondernemingsrisico te dragen. Het moet inkomen geven, beschikbaar blijven, fiscale verrassingen voorkomen en uitvoerbaar zijn wanneer een van beiden overlijdt of niet meer zelf kan beslissen. Dat zijn vier eisen die elkaar deels tegenwerken, en die je dus tegen elkaar moet afwegen in plaats van ieder afzonderlijk te maximaliseren.
Het doel was daarom niet om meer techniek toe te voegen, maar om de bestaande complexiteit terug te brengen tot keuzes die passen bij het gewenste leven, het beschikbare vermogen en de risico's die deze mensen daadwerkelijk wilden en hoefden te dragen.
Ter afsluiting
Deze casus liep goed af. Het gewenste leven bleek betaalbaar, er was geen extra risico nodig, en de vraag was vooral hoe je het geheel zo inricht dat het ook over twintig jaar nog werkt.
Dat is niet altijd de uitkomst. Soms blijkt uit de doorrekening dat het gewenste bestedingsniveau niet houdbaar is, of alleen met risico's die iemand niet zou moeten willen dragen. Dan zeg ik dat. Vervolgens kijken we wat wél kan: later stoppen met werken, een ander budget voor de woning, eerder vereenvoudigen, of het bestedingsniveau bijstellen. Dat gesprek is ongemakkelijker, maar het is nog altijd beter dan tien jaar later ontdekken dat het niet klopte.
In beide gevallen is het antwoord hetzelfde: eerst rekenen, dan pas kiezen. Zonder productverkoop, zonder omwegen.
En plannen verouderen. De uitgangspunten van vandaag — rentestanden, belastingregels, een verhuizing die doorgaat of juist niet — zijn over een paar jaar anders. Voor deze casus geldt dat des te meer: het box 3-stelsel verandert, het belastingverdrag met Spanje wordt herzien en een eventuele verhuizing blijft een toekomstscenario. Een plan is daarom geen eindproduct maar een ijkpunt, dat je periodiek naast de werkelijkheid legt.
NOOT: Dit artikel geeft de stand van zaken weer van augustus 2026. Fiscale regels, rentestanden en verdragen veranderen; laat je situatie daarom altijd beoordelen op basis van de dan geldende regels.
Over de auteur
Willem Jonkers is gecertificeerd financieel planner, estate planner en register erkend scheidingsadviseur. Hij heeft in die combinatie van certificeringen en ervaring veel kennis van de relatie tussen de financiële én juridische organisatie binnen gezinnen en de onderneming. Lees meer over Willem of over financieel advies in Breda en omgeving.
Relevante wetsartikelen
Eigen woning en financiering vanuit de BV
Artikel 3.119a Wet IB 2001 – Eigenwoningschuld.
Artikel 3.119c Wet IB 2001 – Aflossingseis voor eigenwoningschulden aangegaan vanaf 2013: ten minste annuïtaire aflossing, contractueel én feitelijk.
Artikel 3.119aa Wet IB 2001 – Bijleenregeling en eigenwoningreserve; de reserve vervalt drie jaar na toevoeging.
Artikel 3.120 Wet IB 2001 – Aftrek van kosten eigen woning, waaronder de maximale aftrekperiode van dertig jaar.
Aanmerkelijk belang
Artikelen 4.6 en 4.12 Wet IB 2001 – Aanmerkelijk belang en voordelen daaruit; relevant voor dividendbeleid en box 2-heffing.
Artikel 4.14a Wet IB 2001 – Excessief lenen bij de eigen vennootschap. Een eigenwoningschuld blijft buiten aanmerking voor zover het gaat om een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a en daarvoor hypotheekrecht aan de vennootschap is verstrekt.
Artikel 4.16 Wet IB 2001 en artikel 25 lid 8 Invorderingswet 1990 – Fictieve vervreemding bij emigratie en de conserverende aanslag met uitstel van betaling.
Artikel 26 Invorderingswet 1990 – Kwijtschelding; relevant omdat de conserverende aanslag sinds 2015 niet meer na tien jaar vervalt.
Box 3
Artikelen 5.2 en 5.3 Wet IB 2001 – Voordeel uit sparen en beleggen en de rendementsgrondslag.
Vennootschap en vestigingsplaats
Artikel 2 lid 4 Wet Vpb 1969 – Vestigingsplaatsfictie; relevant bij verplaatsing van de feitelijke leiding naar het buitenland.
Huwelijksvermogensrecht, erfrecht en volmacht
Artikel 1:115 BW – Huwelijkse voorwaarden bij notariële akte.
Artikel 1:132 e.v. BW – Verrekenbedingen, waaronder het finaal verrekenbeding.
Artikelen 4:13, 4:63 e.v. en 4:144 BW – Wettelijke verdeling, legitieme portie en executele.
Artikel 3:60 BW – Volmacht; relevant voor het levenstestament.
Internationaal
Artikel 4 AWR – Fiscale woonplaats naar Nederlands recht.
Belastingverdrag Nederland-Spanje (1971) – Woonplaats en tie-breaker, inkomsten uit onroerende zaken, dividend en vermogenswinsten. Over een herziening van dit verdrag is ambtelijke overeenstemming bereikt; de tekst is nog niet openbaar.
Verordening (EU) nr. 650/2012 – Erfrechtverordening; bepaalt welk erfrecht van toepassing is en biedt de mogelijkheid van een rechtskeuze.
Veelgestelde vragen
Is pensioenplanning voor een DGA anders dan voor iemand in loondienst?
Ja. Bij een DGA zit het pensioen vaak niet alleen in pensioenrechten, maar ook in de BV, box 2, box 3, vastgoed en toekomstige dividendruimte. Daardoor gaat pensioenplanning niet alleen over de vraag wanneer iemand stopt met werken, maar vooral over de manier waarop het inkomen daarna wordt georganiseerd.
Daarbij moet duidelijk zijn welk vermogen privé beschikbaar is, welk vermogen nog in de BV zit, welke belastingclaims daarop rusten en hoeveel liquiditeit nodig is om het gewenste leven te financieren. Een goede planning voorkomt dat fiscaal vermogen op papier aanwezig is, maar praktisch niet beschikbaar blijkt op het moment dat het nodig is.Moet een DGA vermogen uit de BV halen vóór pensionering?
Niet automatisch. Dividend uitkeren kan logisch zijn, maar alleen als het past binnen de totale planning. Geld in de BV is niet hetzelfde als vrij besteedbaar privévermogen, maar geld te vroeg naar privé halen kan ook onnodige belastingheffing of vermogensdruk in box 3 veroorzaken.
De juiste afweging begint bij de behoefte van de klant. Wat moet het geld doen? Inkomen geven, rust creëren, risico verminderen, partner en kinderen beschermen of juist flexibiliteit behouden? Pas daarna volgt de vraag of dividend, een lening vanuit de BV, aflossing, verkoop van vastgoed of juist behoud van liquiditeit verstandig is.Is vastgoed aanhouden richting pensionering verstandig?
Dat hangt af van de functie van het vastgoed. Verhuurd vastgoed kan waardevol zijn als het stabiele inkomsten oplevert en bijdraagt aan het gewenste besteedbaar inkomen. Dan is verkoop niet automatisch verstandig, ook niet als vereenvoudiging aantrekkelijk klinkt.
Tegelijk wordt vastgoed richting latere leeftijd vaak zwaarder dan vooraf wordt gedacht. Verhuur vraagt beheer, onderhoud, fiscale verwerking en beslissingen bij leegstand of verkoop. Bij buitenlands vastgoed komt daar extra complexiteit bij. Daarom kan het verstandig zijn om vastgoed eerst aan te houden zolang de inkomsten nodig zijn, maar wel een latere afbouw of vereenvoudiging in de planning op te nemen.Waarom zijn huwelijkse voorwaarden en nalaten onderdeel van pensioenplanning?
Omdat pensioenplanning bij grotere vermogens niet stopt bij inkomen. Zeker bij ondernemers, DGA’s en samengestelde gezinnen bepalen huwelijkse voorwaarden, testamenten en levenstestamenten mede wie beschermd wordt, wie risico loopt en hoe vermogen later beschikbaar komt.
Een financieel plan kan op papier kloppen, maar juridisch verkeerd uitpakken als overlijden, wilsonbekwaamheid of relatiebeëindiging niet goed is geregeld. Daarom moeten inkomen, BV-vermogen, box 2, box 3, vastgoed, huwelijkse voorwaarden en nalaten in samenhang worden bekeken. Juist daar ontstaat overzicht.Wanneer is internationale fiscale planning nodig bij een DGA?
Zodra verblijf, vastgoed of toekomstplannen in het buitenland serieus worden. Bij een DGA met een Nederlandse BV kan een verhuizing of langdurig verblijf in het buitenland gevolgen hebben voor fiscale woonplaats, dividend, aanmerkelijk belang, vastgoedinkomsten en de feitelijke leiding van de BV.
Wachten tot na de verhuizing is meestal te laat. Dan liggen feiten vaak al vast. Internationale fiscale planning hoort daarom vóór de stap naar het buitenland plaats te vinden, samen met de Nederlandse accountant en gespecialiseerde lokale fiscale begeleiding. Het doel is niet om de meest ingewikkelde structuur te bouwen, maar om verrassingen te voorkomen en de planning uitvoerbaar te houden.

