Casus: samengesteld gezin, ongelijke inbreng en testamenten

De casus is echt. De inhoud is geanonimiseerd conform mijn beleid.

Een stel uit de regio Leiden wil een geregistreerd partnerschap aangaan. Er spelen wat complexiteiten en daarom komen ze bij mij voor juridisch-financieel advies. Beiden hebben kinderen uit een eerdere relatie. Zij willen samen verder, maar ook voorkomen dat hun kinderen later tegenover elkaar komen te staan.

Zij heeft al een woning. Hij verkoopt zijn eigen woning. Via het geregistreerd partnerschap en de partnerschapsvoorwaarden wordt hij economisch voor 50% gerechtigd tot haar woning, zonder gewone levering van een woningdeel. Dat klinkt overzichtelijk, maar in de praktijk wordt het snel ingewikkelder. Hoe leg je de ongelijke aanvangsinbreng vast? Wat gebeurt er als één van beiden overlijdt? En hoe voorkom je dat de langstlevende klem komt te zitten tussen de kinderen van de ander?

Dit is precies waar financiële planning juridisch wordt. Niet omdat alles ingewikkeld moet worden gemaakt, maar omdat losse keuzes later grote gevolgen kunnen hebben.

In deze casus laat ik zien hoe financiële planning voor particulieren, partnerschapsvoorwaarden, vergoedingsrechten en testamenten samen één logisch geheel kunnen vormen.

Samengesteld gezin blij strandwandeling

De casus in 1 minuut

  • De cliënten wonen in de regio Leiden.

  • Zij heeft een woning met een waarde van circa € 700.000.

  • Op haar woning rust een hypotheek van circa € 350.000.

  • Haar netto overwaarde bedraagt dus circa € 350.000.

  • Hij heeft zijn woning verkocht.

  • Zijn overwaarde van circa € 250.000 staat op de bank.

  • Beiden hebben twee meerderjarige kinderen uit een eerdere relatie.

  • Er is verder geen vermogen dat de uitkomst wezenlijk verandert.

  • Zij willen een geregistreerd partnerschap aangaan.

  • Hij moet economisch gaan meedelen in de woning.

  • Een reguliere levering van een woningdeel willen zij voorkomen.

  • De kinderen van beiden moeten later eerlijk worden beschermd.

  • De langstlevende moet in de woning kunnen blijven wonen.


De uitkomst in het kort

De woning en hypotheek worden via partnerschapsvoorwaarden in een beperkte gemeenschap bij helfte gebracht. De man gaat daardoor economisch meedelen in de woning, zonder dat sprake is van een reguliere levering van een woningdeel. De ongelijke aanvangsinbreng wordt niet opgelost met ongelijke eigendomsbreuken, maar met een afzonderlijk vastgelegde nominale vordering. Daarmee blijft de woning overzichtelijk 50/50 gemeenschappelijk, terwijl de hogere aanvangsinbreng van één partner niet wordt weggegeven.

De vordering is bewust nominaal vastgelegd. Daarmee wordt voorkomen dat de oorspronkelijke inbreng later alsnog dubbel meetelt bij waardestijging of waardedaling van de woning.

De verkoopopbrengst van de man blijft onderdeel van de financiële planning. Die kan worden gebruikt om de hypotheek te verlagen, maar dat is geen automatisme vanwege de eigenwoningreserve. De keuze hangt af van liquiditeit, rente, box 3, betaalbaarheid en de afspraken in de partnerschapsvoorwaarden en testamenten.

De testamenten sluiten daarop aan met een wettelijke verdeling, waarbij de eigen kinderen voor het overgrote deel erfgenaam zijn en de partner voor een klein deel. Daardoor komt de eigendom van rechtswege bij de langstlevende terecht, terwijl de kinderen hun aanspraak op de waarde behouden via een geldvordering. Voor de erfbelasting wordt gewerkt met een tweetraps-opvullegaat, zodat de partnervrijstelling kan worden benut zonder dat het vermogen definitief uit de bedoelde familielijn verdwijnt.


Waarom dit niet met één standaardtestament is opgelost

In een samengesteld gezin is de woning vaak het grootste vermogensbestanddeel. Als daar iets onduidelijk blijft, komt de discussie meestal niet meteen. Die komt pas bij overlijden, verkoop, opname in een zorginstelling of bij het overlijden van de langstlevende. Dan moeten kinderen uit twee familielijnen reconstrueren wat ooit de bedoeling was.

Wie bracht wat in? Wie had recht op welk deel van de woning? Was er een vergoedingsrecht? Was dat nominaal of geldt de beleggingsleer? Mocht de langstlevende alles opmaken? Wat was de hypotheekstand bij het eerste overlijden?

Als die vragen niet vooraf worden beantwoord, is het testament vaak te laat. Dan heb je geen planning meer, maar schadeherstel.


Beperkte gemeenschap van woning en hypotheek

Wie sinds 1 januari 2018 trouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat, valt zonder aanvullende voorwaarden niet meer automatisch in een algehele gemeenschap van goederen. Vermogen en schulden die vóór het huwelijk of geregistreerd partnerschap privé waren, blijven in beginsel privé. Vermogen en schulden die tijdens het huwelijk of partnerschap ontstaan, kunnen wel gemeenschappelijk worden.

In deze casus willen partijen dat de man economisch voor 50% gaat meedelen in de woning van de vrouw. Niet omdat hij de helft cadeau moet krijgen, maar omdat de woning hun gezamenlijke woonbasis wordt. De woning blijft dus niet volledig privé.

Mijn advies in deze casus:

  • Breng alleen de woning en de daaraan verbonden hypotheek in een beperkte gemeenschap samen met een gemeenschappelijke bankrekening.

  • Houd privévermogen, erfenissen, schenkingen, pensioenrechten en privérekeningen buiten die gemeenschap.

  • Leg vast dat de woning en hypotheek intern 50/50 worden gedeeld.

  • Leg ook vast hoe rente, aflossing, eigenaarslasten en huishoudkosten worden gedragen.

  • Leg afzonderlijk vast hoe de ongelijke aanvangsinbreng wordt gecorrigeerd. In diot geval door gedeeltelijke inbreng van vermogen.

Dat is zuiverder dan een brede gemeenschap waarin later discussie ontstaat over vermogen dat partijen helemaal niet gezamenlijk hadden willen maken. Wat ik ook meemaak in mijn praktijk. Helaas, want onnodig.


Waarom ik hier niet werk met ongelijke breukdelen

Je zou kunnen denken: zij brengt meer overwaarde in, hij brengt minder liquide vermogen in. Dan maken we de woning toch niet 50/50, maar in een afwijkende verhouding? Dat klinkt op het eerste gezicht logisch. Toch kies ik daar in deze casus niet voor.

Ongelijke breukdelen kunnen civielrechtelijk mogelijk zijn, maar ze maken de structuur vaak minder overzichtelijk. Eigendom, aanvangsinbreng, toekomstige waardestijging, waardedaling en fiscale beoordeling gaan dan sneller door elkaar lopen.

Daar komt bij dat ongelijke breukdelengemeenschappen fiscaal gevoeliger zijn geworden door de wijziging van artikel 11 Successiewet. (Art. 11 lid 4 SW) Dat betekent niet dat ongelijke breukdelen nooit kunnen. Het betekent wel dat je goed moet kunnen uitleggen waarom die route nodig en passend is. In deze casus is dat niet nodig. De woning kan overzichtelijk in een beperkte gemeenschap bij helfte worden gebracht. De ongelijke aanvangsinbreng wordt afzonderlijk gecorrigeerd met een nominale vordering. (Vergoedingsrecht)

Daarom is mijn voorkeur hier: geen ongelijke breukdelengemeenschap, maar 50/50 met een aparte correctie van de aanvangsinbreng. Dat is beter uitlegbaar voor beide partners, beter te volgen voor de kinderen en rustiger in de latere afwikkeling. En geen discussie met de fiscus.


Het nominale vergoedingsrecht

Omdat de vrouw bij aanvang meer vermogen inbrengt dan de man, moet dat verschil afzonderlijk worden vastgelegd. Anders lijkt de woning straks wel 50/50 geregeld, maar blijft onduidelijk of de hogere inbreng voor lief is genomen.

In deze casus wordt daarom gekozen voor een nominale vordering. Dat betekent dat de hogere aanvangsinbreng niet wordt vertaald naar een groter aandeel in de woning, maar naar een vaste privévordering.

Dat onderscheid is belangrijk. De woning wordt 50/50 gemeenschappelijk. Beide partners delen dus mee in toekomstige waardestijging en waardedaling. De nominale vordering staat daar los van en beweegt niet mee met de woningwaarde. Daardoor voorkom je dubbele telling. De hogere inbreng wordt erkend, maar de toekomstige waardeontwikkeling van de woning blijft gelijk verdeeld.

Dit moet helder in de partnerschapsvoorwaarden worden opgenomen. Niet als losse intentie of mondelinge afspraak, maar als duidelijke vermogensrechtelijke afspraak. Anders ontstaat later discussie of sprake was van een schenking, lening, gewone inbreng, meebewegend vergoedingsrecht of niet-vastgelegde afspraak.

Bij geldstromen tussen privévermogen en gemeenschappelijk vermogen is bewijs belangrijk. HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504 laat zien dat discussie over privé-inbreng en vergoedingsrechten niet theoretisch is. Juist daarom moet vooraf duidelijk zijn wat partijen bedoelen.

Deze oplossing werkt alleen als beide partners haar ook als eerlijk ervaren. Een nominale vordering kan juridisch kloppen, maar moet voor beiden voelen als een redelijke correctie van de aanvangsinbreng.


Overdrachtsbelasting voorkomen via boedelmenging

Een belangrijk verschil in deze casus is dat de man geen woningdeel koopt. Hij wordt mede-eigenaar doordat de woning en hypotheek via partnerschapsvoorwaarden in een beperkte gemeenschap worden gebracht. Dat is iets anders dan een gewone levering van een aandeel in de woning. Bij een reguliere levering kan overdrachtsbelasting in beeld komen. Bij boedelmenging binnen een huwelijk of geregistreerd partnerschap ligt dat anders.

De Belastingdienst maakt duidelijk dat geen overdrachtsbelasting verschuldigd is als iemand mede-eigenaar wordt van een onroerende zaak door boedelmenging bij huwelijk of geregistreerd partnerschap in algehele of beperkte gemeenschap. Dit volgt uitspraken van de Hoge Raad in onder andere 1959, 1971 en 2021. Dat maakt deze route fiscaal relevant, maar het is geen trucje. De civielrechtelijke vorm moet de werkelijkheid dragen. Partijen moeten dus daadwerkelijk kiezen voor een beperkte gemeenschap waarin de woning en hypotheek worden betrokken.

Daarom moet de notariële akte zorgvuldig aansluiten op de bedoeling van partijen. Het gaat niet om een verkapte levering van een woningdeel, maar om boedelmenging via partnerschapsvoorwaarden binnen het geregistreerd partnerschap.


Hypotheekadvies en eigenwoningreserve: geen automatisme

De man heeft zijn vorige woning verkocht en heeft daardoor liquide vermogen beschikbaar. Fiscaal kan dan sprake zijn van een eigenwoningreserve als bedoeld in artikel 3.119aa Wet IB 2001. Dat betekent niet automatisch dat dit vermogen verplicht moet worden gebruikt om de hypotheek op de woning af te lossen.

In deze casus wordt de man namelijk geen mede-eigenaar doordat hij een woningdeel koopt. Hij wordt mede-eigenaar door boedelmenging binnen het geregistreerd partnerschap. Dat maakt de beoordeling anders dan bij een gewone aankoop van een woningdeel. De eigenwoningschuld, hypotheekrenteaftrek en bijleenregeling moeten uiteraard worden beoordeeld binnen het kader van artikel 3.119a en artikel 3.119aa Wet IB 2001. Maar die beoordeling leidt niet automatisch tot één standaardantwoord.

De verkoopopbrengst van de man blijft dus onderdeel van de financiële planning. Aflossen kan logisch zijn, maar dat hangt af van de totale situatie: liquiditeit, rente, box 3, betaalbaarheid, hypotheekvoorwaarden en de afspraken in de partnerschapsvoorwaarden en testamenten.

De vraag is daarom niet: “de eigenwoningreserve moet erin”. De vraag is: de fiscale positie, hypotheekpositie en civiele afspraken moeten samen kloppen.


De geldverstrekker moet worden meegenomen

Civielrechtelijk kun je in partnerschapsvoorwaarden afspreken dat de man voor 50% economisch participeert in de woning en intern meedraagt in de hypotheeklasten. Maar tegenover de bank geldt iets anders. De externe aansprakelijkheid wordt bepaald door de hypotheekakte, de leningsovereenkomst en de hypotheekvoorwaarden. De geldverstrekker moet daarom worden geïnformeerd en kan voorwaarden stellen.

Dat betekent niet automatisch dat de man als hoofdelijk schuldenaar moet toetreden. Dat kan soms logisch zijn, maar het is geen standaardoplossing. De bank kan een inkomenstoets doen, acceptatiebeleid toepassen of aanvullende voorwaarden stellen.

In deze casus is vooral belangrijk dat vooraf duidelijk wordt:

  • Heeft de hypotheekakte of leningsovereenkomst bepalingen die gevolgen verbinden aan de gewijzigde eigendoms- en vermogensrechtelijke situatie door de boedelmenging?

  • Moet de wijziging formeel worden gemeld of goedgekeurd?

  • Heeft de boedelmenging gevolgen voor de bestaande rentevoorwaarden?

  • Kan de langstlevende bij overlijden in de woning blijven wonen?

  • Wat gebeurt er met de hypotheekpositie als het geregistreerd partnerschap of huwelijk eindigt door scheiding?

  • Kunnen bestaande voorwaarden, renteafspraken of meeneemregelingen door de langstlevende of achterblijvende partner worden voortgezet?

  • Moet de partner wel of niet als mede-schuldenaar worden toegevoegd vanwege overlijden, scheiding of bancaire voorwaarden?

Juist dat laatste punt vraagt nuance. Als de langstlevende of achterblijvende partner niet als schuldenaar is aangemeld, kan dat bij overlijden of scheiding praktisch gevoelig worden. Dan wil je niet pas ontdekken dat de bank de situatie anders beoordeelt dan partijen vooraf hadden gedacht. Daarom hoort dit niet alleen juridisch in de partnerschapsvoorwaarden thuis. Het hoort ook in het financiële plan: controleer de hypotheekvoorwaarden, leg de situatie voor aan de geldverstrekker en stem de civiele afspraken, de interne draagplicht en de bancaire positie op elkaar af.

Als de bank niet wil meewerken aan toetreding als hoofdelijk schuldenaar, hoeft dat de gekozen structuur niet meteen onmogelijk te maken. Maar dan moeten de interne draagplicht, de gevolgen bij overlijden, de gevolgen bij scheiding en de betaalbaarheid voor de langstlevende of achterblijvende partner extra scherp worden vastgelegd en doorgerekend.


Rente, aflossing en kosten van de huishouding

De hypotheekrente is economisch een woonlast. De aflossing is vermogensopbouw. Dat onderscheid moet je maken.

Als de inkomens sterk verschillen, kan het redelijk zijn om de hypotheekrente onder de kosten van de huishouding te brengen. Kosten van de huishouding worden bij huwelijk in beginsel gedragen volgens artikel 1:84 lid 1 BW, tenzij partners daarover schriftelijk andere afspraken maken. Die afwijkingsmogelijkheid volgt uit artikel 1:84 lid 3 BW. Bij geregistreerd partnerschap is deze regeling van overeenkomstige toepassing via artikel 1:80b BW.

De aflossing hoort daar niet automatisch bij. Aflossing maakt de schuld kleiner en vergroot het woningvermogen. Als de woning 50/50 is, ligt het voor de hand dat de aflossing intern ook 50/50 wordt gedragen.

Dus:

  • Hypotheekrente: naar verhouding van inkomen, als kosten van de huishouding.

  • Aflossing: 50/50.

  • Eigenaarslasten en groot onderhoud: 50/50.

  • Gebruikerslasten zoals energie, internet en boodschappen: naar draagkracht.

  • Fiscale toerekening in de aangifte mag praktisch worden geoptimaliseerd via artikel 2.17 Wet IB 2001, maar wijzigt de civiele 50/50-verhouding niet.

Dat lijkt detailwerk. Dat is het niet. Dit voorkomt later discussies over wie te veel heeft betaald.


Kleinere gezamenlijke posten moet je ook regelen

Soms zijn er naast woning en hypotheek nog kleinere gezamenlijke posten, zoals een auto, motor, elektrische fiets of consumptief krediet. Die zijn fiscaal meestal minder spannend, maar kunnen bij beëindiging van het geregistreerd partnerschap of bij overlijden wel discussie geven. Als partijen samen gebruikmaken van een auto en daar een krediet aan is verbonden, leg dan vast of die auto en dat krediet privé of gemeenschappelijk zijn.

Bij gezamenlijk gebruik ligt in deze casus voor de hand:

  • De auto of het vervoermiddel valt in de beperkte gemeenschap.

  • Het bijbehorende krediet wordt intern ook aan die gemeenschap toegerekend.

  • Waarde, restschuld en verkoopopbrengst worden 50/50 gedeeld.

  • Vaste gebruikskosten worden gedragen volgens de afspraken over de kosten van de huishouding.

  • Het kenteken op naam van één partner bepaalt niet automatisch de interne eigendomsverhouding.

  • Tegenover de kredietverstrekker blijft bepalend wie contractueel schuldenaar is, tenzij de kredietverstrekker instemt met wijziging.

Daarbij moet je steeds onderscheid maken tussen interne draagplicht en externe aansprakelijkheid.

Intern kunnen partners afspreken wie welk deel van een schuld, kostenpost of restschuld uiteindelijk moet dragen. Bij meerdere schuldenaren geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor een gelijk deel verbonden zijn, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling iets anders volgt. Dat volgt uit artikel 6:6 BW.

Zijn partners hoofdelijk verbonden, dan ligt dat extern anders. De schuldeiser kan dan ieder van hen voor het geheel aanspreken. Dat volgt uit artikel 6:7 BW. De partner die meer betaalt dan hem of haar intern aangaat, kan vervolgens regres nemen op de ander. Die onderlinge bijdrageplicht volgt uit artikel 6:10 BW.

Is slechts één partner contractueel schuldenaar, dan verandert een interne afspraak niet automatisch de positie tegenover de kredietverstrekker. Interne draagplicht heeft dus niet vanzelf derdenwerking. Voor schuldoverneming of toetreding tot de externe schuld is instemming van de schuldeiser nodig. Dat volgt uit artikel 6:155 BW.

Voor kosten van de huishouding geldt nog een aparte regel. Kosten van de huishouding worden intern gedragen volgens artikel 1:84 BW. Bij geregistreerd partnerschap werkt die regeling via artikel 1:80b BW van overeenkomstige toepassing. Maar ook daar moet je scherp blijven. Niet iedere interne huishoudkostenafspraak werkt automatisch tegenover derden. Voor verbintenissen die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding kan de ene partner naast de andere voor het geheel aansprakelijk zijn. Bij huwelijk volgt dat uit artikel 1:85 BW en bij geregistreerd partnerschap opnieuw via artikel 1:80b BW.

Eenvoudig gezegd: intern kun je afspreken wie uiteindelijk welk deel moet dragen. Extern kijkt de schuldeiser naar de wet, de overeenkomst en de kredietakte. Daarom moeten ook kleinere posten aansluiten op de juridische hoofdstructuur. Anders regel je de woning zorgvuldig, maar laat je op kleinere onderdelen alsnog discussie ontstaan.

Testamenten die aansluiten op de partnerschapsvoorwaarden

De partnerschapsvoorwaarden lossen de civiele eigendomsverhouding op. Maar daarmee ben je er niet.

Beiden hebben kinderen uit eerdere relaties. Als één van hen overlijdt, moet de langstlevende in de woning kunnen blijven wonen. Tegelijk moeten de kinderen van de eerstoverledene hun economische positie behouden. De vraag is dus niet alleen wie wat erft, maar vooral welke regeling later de minste discussie geeft.

In eerste instantie kwamen meerdere routes in beeld. Een vruchtgebruik op het woningdeel van de eerstoverledene lijkt dan logisch, omdat de langstlevende in de woning kan blijven wonen. Maar in deze casus gaf dat een probleem. De kinderen krijgen dan al bij het eerste overlijden een positie, terwijl de erfbelasting mogelijk niet uit eigen middelen kan worden betaald. Ook de langstlevende kan daardoor met liquiditeitsdruk worden geconfronteerd.

Daarna is gekeken naar een tweetrapslegaat op het woningdeel van de eerstoverledene. Juridisch kan dat elegant zijn. De langstlevende verkrijgt dan het woningdeel als bezwaarde en de kinderen van de eerstoverledene worden verwachters. De kinderen komen dan niet direct als mede-eigenaar naast de langstlevende te staan, terwijl hun positie wel testamentair wordt vastgelegd. Toch bleek ook die route in deze casus niet optimaal.

De reden is praktisch. Bij de afgifte van zo’n legaat, bij verkoop van de woning, bij wijziging van de tenaamstelling, bij een vervangende woning, bij extra financiering, verbouwing of aflossing kunnen nieuwe afstemmingsmomenten ontstaan. Dat zijn precies de momenten waarop later discussie kan ontstaan tussen de langstlevende en de kinderen van de eerstoverledene. En dat wilden cliënten juist voorkomen.

Daarom is uiteindelijk gekozen voor een eenvoudiger testamentaire route: de wettelijke verdeling. Daarbij zijn de eigen kinderen voor het overgrote deel (99/100) erfgenaam en de partner voor een klein deel. (1/100)

Daardoor komt de eigendom van de nalatenschap van rechtswege bij de langstlevende terecht. De langstlevende hoeft voor het behoud van de woning niet direct afhankelijk te worden van medewerking van de kinderen. De kinderen krijgen geen directe mede-eigendom in de woning, maar een geldvordering op de langstlevende. Dat is minder verfijnd dan een tweetrapslegaat op het woningdeel, maar in deze casus praktischer en conflictarmer.

De kinderen behouden hun waardeaanspraak op de nalatenschap van hun ouder. Die vordering wordt duidelijk vastgelegd en is niet alleen opeisbaar bij gebruikelijke situaties zoals overlijden, faillissement, hertrouwen of opname in een zorginstelling, maar ook bij verkoop van de woning. Daarnaast wordt rente op de vordering geschreven. Daarmee delen de kinderen economisch mee in de waardeontwikkeling, zonder dat zij mede-eigenaar worden van de woning of bij iedere toekomstige wijziging hoeven mee te beslissen.

Ook het vergoedingsrecht uit de partnerschapsvoorwaarden moet in deze structuur worden meegenomen. Wanneer de vordering opeisbaar wordt, wordt ook dat vergoedingsrecht verrekend. Zo blijven de partnerschapsvoorwaarden en testamenten op elkaar aansluiten.

Voor de erfbelasting wordt gewerkt met een tweetraps-opvullegaat. Daarmee kan de langstlevende de hoge partnervrijstelling benutten. Wat de langstlevende via het opvullegaat verkrijgt, valt onder een tweetrapsregeling uiteindelijk weer terug naar de kinderen van de eerstoverledene.

De kern van het advies is dus niet dat de meest complexe constructie altijd de beste is. De kern is dat de langstlevende beschermd wordt, de kinderen hun economische positie behouden en toekomstige discussie zoveel mogelijk wordt voorkomen.


Tweetrapslegaten en bescherming

Voor de kinderen kan een tweetrapsregeling zinvol zijn. Niet om alles ingewikkeld te maken, maar om vermogen zoveel mogelijk binnen de eigen familielijn te houden.

Ik zou de notaris vragen om hier bewust te kijken naar tweetrapslegaten en niet automatisch naar een brede tweetrapserfstelling. Bij tweetrapserfstellingen kunnen informatie- en toonplichten spelen. Dat betekent niet dat een tweetrap verkeerd is, maar wel dat de techniek moet passen bij wat cliënten praktisch willen.

Daarnaast moet worden geregeld wat er gebeurt als een kind overlijdt. Als een kind overlijdt met eigen afstammelingen, ligt het voor de hand dat die afstammelingen in zijn of haar plaats treden. Maar overlijdt een kind zonder afstammelingen, dan moet het geërfde vermogen niet alsnog via een partner of ex-partner van dat kind buiten de eigen familielijn terechtkomen. Daarom kan ook voor de verkrijgingen door de kinderen een tweetrapslegaat worden opgenomen. Het kind verkrijgt dan als bezwaarde. Zijn of haar afstammelingen zijn eerste verwachters. Zijn er geen afstammelingen, dan gaat het resterende vermogen naar de broer(s) en/of zus(sen), of naar hun afstammelingen als een broer of zus eerder is overleden.

Verder horen in dit soort testamenten in ieder geval:

  • Een uitsluitingsclausule voor wat kinderen erven.

  • Een tweetrapsregeling voor kinderen, zodat vermogen bij overlijden zonder afstammelingen terugvalt naar broer(s), zus(sen) of hun afstammelingen.

  • Een echtscheidingsclausule voor voordelen aan de partner.

  • Een 30-dagenclausule.

  • Een duidelijke executeurs- of afwikkelingsbewindregeling.

  • Een opdracht om bij het eerste overlijden de vermogensopstelling vast te leggen.

Niet als standaardvulling, maar omdat ze hier echt functie hebben.


Conclusie

In deze casus is 50/50 niet simpel.

De beperkte gemeenschap zorgt ervoor dat beide partners echt samen eigenaar worden. De nominale vordering voorkomt dat de hogere aanvangsinbreng van de vrouw onbedoeld wordt weggegeven. De route via boedelmenging voorkomt een reguliere levering van een woningdeel en daarmee overdrachtsbelasting. De hypotheek en eigenwoningreserve worden niet automatisch op één manier ingevuld, maar meegenomen in de totale financiële planning.

De testamenten beschermen de langstlevende, maar houden de kinderen van beide kanten in beeld. De uiteindelijk gekozen route is bewust niet de meest verfijnde constructie op papier, maar de regeling die in de praktijk de minste discussie geeft: wettelijke verdeling, duidelijke geldvorderingen voor de kinderen, opeisbaarheid bij verkoop van de woning en een renteafspraak zodat de kinderen economisch blijven meedelen.

Voor de erfbelasting wordt de partnervrijstelling benut via een tweetraps-opvullegaat. Daarmee krijgt de langstlevende fiscale ruimte, terwijl het via het opvullegaat verkregen vermogen uiteindelijk weer binnen de oorspronkelijke familielijn kan terugvallen.

Auteur
Willem Jonkers, gecertificeerd financieel planner (CFP®), Register Estate Planner (REP) en Register Erkend Scheidingsadviseur (RES®). Meer over mij
op deze pagina.

Bronnen en relevante bepalingen

Relevante wetsartikelen en bronnen:


Veelgestelde vragen

1. Waarom is financiële planning belangrijk bij een samengesteld gezin?

Omdat bij een samengesteld gezin niet alleen de partners een belang hebben, maar ook de kinderen uit eerdere relaties. Een keuze over de woning, hypotheek, partnerschapsvoorwaarden of testamenten werkt vaak door in meerdere richtingen.

Als je één onderdeel los regelt, kan later discussie ontstaan. Bijvoorbeeld over wie welk vermogen heeft ingebracht, wie in de woning mag blijven wonen of welk deel uiteindelijk voor welke kinderen bedoeld was.

Daarom kijk ik in dit soort situaties niet alleen naar het testament, maar naar de samenhang tussen woning, vermogen, juridische afspraken bij leven en overlijden.

2. Waarom is één standaardtestament meestal onvoldoende?

Een testament werkt pas bij overlijden. Maar de financiële en juridische verhouding tussen partners ontstaat al tijdens leven.

Als de woning, hypotheek, inbreng en interne draagplicht niet goed zijn vastgelegd, moet het testament later problemen oplossen die eigenlijk eerder geregeld hadden moeten worden. Dat is kwetsbaar, zeker als er kinderen uit twee familielijnen betrokken zijn.

Een goed testament moet daarom aansluiten op de partnerschapsvoorwaarden en op de financiële planning. Anders krijg je losse documenten die juridisch misschien kloppen, maar samen niet doen wat partijen bedoelden.

3. Wat is het risico van ongelijke inbreng bij een gezamenlijke woning?

Het risico is dat partners denken dat zij het “ongeveer eerlijk” hebben geregeld, terwijl later niet meer duidelijk is wie waarop recht heeft.

Als één partner meer vermogen inbrengt dan de ander, moet vooraf worden vastgelegd of dat verschil wordt geschonken, verrekend, geleend of op een andere manier wordt gecorrigeerd. Zonder duidelijke afspraak ontstaat later discussie over eigendom, waardestijging, schuld, verkoopopbrengst of nalatenschap.

Juist bij een samengesteld gezin kan dat extra gevoelig worden, omdat de kinderen van beide kanten later moeten begrijpen wat de bedoeling was.

4. Waarom moet de hypotheekverstrekker worden meegenomen?

Omdat partners onderling veel kunnen afspreken, maar die afspraken niet automatisch gelden tegenover de bank.

De hypotheekakte, leningsovereenkomst en voorwaarden bepalen wie extern aansprakelijk is en welke wijzigingen moeten worden gemeld of goedgekeurd. Ook kan de geldverstrekker gevolgen verbinden aan een gewijzigde eigendoms- of vermogensrechtelijke situatie.

Daarom moet de bancaire kant worden gecontroleerd. Niet omdat de bank altijd de oplossing bepaalt, maar omdat je vooraf wilt weten of de civiele afspraken, interne draagplicht en hypotheekvoorwaarden op elkaar aansluiten. Maar denk ook aan de positie van de langstlevende bij een overlijden van de hoofdelijk aansprakelijke.

5. Hoe voorkom je dat kinderen later tegenover elkaar komen te staan?

Door bij het eerste overlijden meteen vast te leggen wat er is en wie waarop recht heeft.

In een samengesteld gezin is het niet genoeg om te zeggen dat de langstlevende verzorgd moet achterblijven. Dat is belangrijk, maar de kinderen van de eerstoverledene moeten ook kunnen herleiden welk vermogen uit hun ouder kwam.

Daarom is een duidelijke vermogensopstelling bij het eerste overlijden essentieel. Daarmee voorkom je dat bij het tweede overlijden alsnog moet worden gereconstrueerd wat jaren eerder al duidelijk had moeten zijn.

6. Waarom moet dit samen met de notaris worden afgestemd?

Omdat de notaris de partnerschapsvoorwaarden en testamenten juridisch vastlegt, maar de inhoudelijke keuzes daarvóór moeten kloppen.

Eerst moet duidelijk zijn wat partijen financieel willen bereiken. Wie brengt wat in? Wat wordt gemeenschappelijk? Wat blijft privé? Hoe wordt de langstlevende beschermd? En hoe blijven de kinderen van beide kanten eerlijk in beeld?

Daarna kan de notaris de afspraken vertalen naar de juiste akten. De kracht zit dus niet in één standaardmodel, maar in de combinatie van financiële planning, juridische duiding en zorgvuldige vastlegging.

Volgende
Volgende

Casus: Fiscaal optimaal is niet altijd klantoptimaal