Moet ik de waardestijging van mijn onderneming delen bij een echtscheiding?
Ondernemers die vóór hun huwelijk al een onderneming of maatschapsaandeel bezaten, gaan er soms vanuit dat een waardestijging tijdens het huwelijk automatisch moet worden gedeeld bij een echtscheiding. Een recente uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant laat zien dat dit genuanceerder ligt.
In deze zaak viel het voorhuwelijkse maatschapsaandeel van de ondernemer buiten de beperkte gemeenschap van goederen. De ex-partner stelde dat de tijdens het huwelijk opgebouwde vermogensgroei alsnog voor de helft moest worden gedeeld. De rechtbank beoordeelde de zaak aan de hand van artikel 1:95a BW.
De ondernemer had zichzelf gedurende het huwelijk gemiddeld ongeveer € 10.000 per maand uitgekeerd. Volgens de rechtbank vormde dat een redelijke vergoeding voor zijn kennis, vaardigheden en arbeid. Dat het ondernemingsvermogen tegelijkertijd was toegenomen, betekende niet automatisch dat deze vermogensgroei ook aan de gemeenschap toekwam. Een belangrijk deel van het vermogen bleef volgens de rechtbank terecht in de onderneming achter als reserve voor investeringen, onderhoud en economisch minder gunstige tijden. Het verzoek om de helft van de vermogensgroei te ontvangen werd daarom afgewezen.
Deze uitspraak betekent niet dat ondernemingsvermogen altijd buiten een verdeling blijft. Wel laat zij zien dat de vraag of een ondernemer zichzelf tijdens het huwelijk een redelijke vergoeding heeft toegekend, doorslaggevend kan zijn. Juist daarom verdient dit onderwerp aandacht bij zowel de inrichting van huwelijkse voorwaarden als de financiële planning voor DGA’s.
Elke situatie is anders en de uitkomst hangt sterk af van de feiten, de ondernemingsstructuur en de gemaakte afspraken. Deze uitspraak onderstreept vooral dat een goede financiële en juridische inrichting tijdens het huwelijk veel discussie achteraf kan voorkomen.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3215
