Casus: huwelijkse voorwaarden als tikkende tijdbom

Een onderneemster uit de regio Utrecht zat na acht jaar huwelijk met een knoop in haar maag.

Jaren geleden hadden zij en haar vrouw bij de notaris huwelijkse voorwaarden laten opstellen. Haar was verteld dat dit vooral was om haar bedrijf te beschermen en dat het “verstandiger was dan in gemeenschap van goederen trouwen”.

Toch bleef er iets knagen.

“Ik heb die akte wel ooit gekregen, maar ik begrijp er eerlijk gezegd weinig van,”
zei ze tijdens ons gesprek. “Ik heb er gewoon een slecht gevoel bij. Kun jij er eens goed naar kijken?”

Ze is 100% DGA, werkt via een holding, de hypotheek op de echtelijke woning is op enig moment volledig overgesloten naar de holding en in de praktijk heeft zij jarenlang vrijwel alle kosten van de huishouding én de hypotheekrente betaald uit haar eigen inkomen.

Op papier leek alles netjes geregeld. Toen ik haar huwelijkse voorwaarden en haar financiële situatie naast elkaar legde, bleek de werkelijkheid precies andersom. Sterker nog, het bleek een neutronenbom.

DGA huwelijkse voorwaarden goed geregeld

De casus in één minuut

  • Ondernemende vrouw, 100% DGA met een holding.

  • Jaren geleden huwelijkse voorwaarden laten maken “om het bedrijf te beschermen”.

  • Hypotheek op de echtelijke woning volledig overgesloten naar de holding.

  • Zij betaalde in de praktijk vrijwel alle kosten van de huishouding én de rente/aflossing aan de holding.

  • Huwelijkse voorwaarden met:

    • niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding met een héél ruim inkomensbegrip;

    • vergoedingsrechten rond kosten van de huishouding (nog tot 6 maanden na einde huwelijk vorderbaar);

    • finaal verrekenbeding bij overlijden;

    • ruimte voor pensioenverrekening en overdracht oudedagsaanspraken;

    • en zelfs de mogelijkheid om tot 3 jaar na scheiding nog aanspraken te maken.

In gewone taal: op papier koude uitsluiting, maar juridisch bijna een volledige gemeenschap van vermogen, inclusief de holding. Dit speelde bij een onderneemster die uiteindelijk bij mij terechtkwam als onafhankelijk financieel adviseur in de regio Utrecht – maar de juridische valkuilen die hier naar boven kwamen, zie ik bij ondernemers door het hele land terug.

De uitkomst in het kort:
De huwelijkse voorwaarden zijn volledig herzien: het periodiek verrekenbeding en het finaal verrekenbeding zijn geschrapt, de onderneming/holding en aandelenwaarde zijn duidelijk buiten iedere verrekening geplaatst en de regeling rond DGA-inkomen en kosten van de huishouding is toekomstbestendig gemaakt.

De vakantiewoning (en de bijbehorende inboedel) is nu als volledig privévermogen van haar aangemerkt en de rente/aflossing op eventuele leningen daarvoor horen niet langer bij de kosten van de huishouding.

Pensioenverevening is uitgesloten: geen Wet VPS, geen Boon/Van Loon en ook geen “creatieve” pensioenverdeling via redelijkheid en billijkheid.

In plaats van een losse VSO is in de akte zelf een man-en-paard-uitleg opgenomen waarin de oude rechten (overgespaard inkomen, holding, pensioenen, finaal verrekenbeding) worden benoemd en haar vrouw expliciet verklaart die rechten te kennen en daar bewust afstand van te doen voor het verleden en de huidige situatie.

Tegelijk is een duidelijke waarschuwing ingebouwd: wie zulke voorwaarden wijzigt terwijl hij/zij eigenlijk al wil scheiden, loopt een reëel risico op dwaling, bedrog of Pauliana, zodat je in dat scenario eerst langs een gespecialiseerde familierechtadvocaat moet voordat je iets wijzigt. In mijn adviestrajecten rond scheiden kom ik deze combinatie van emotie, ongelijkheid en oude huwelijkse voorwaarden helaas vaak in de praktijk tegen.

1. Het slapende periodiek verrekenbeding (art. 1:141 BW)

Centraal in dit dossier stond een klassiek periodiek verrekenbeding:

  • elk jaar zouden zij moeten verrekenen wat er overbleef van hun inkomens,
    nadat de kosten van de huishouding waren voldaan.

Het begrip inkomen was extreem ruim:

  • loon,

  • winst uit onderneming,

  • resultaat uit overige werkzaamheden,

  • pensioenuitkeringen,

  • en de werkelijke inkomsten uit vermogen (rente, huur, rendement, enzovoort).

In de praktijk:

  • acht jaar huwelijk;

  • geen enkel jaar verrekend;

  • geen ondertekende verrekenstaten;

  • nauwelijks administratie op dit punt.

Dan schuift artikel 1:141 BW naar voren:

  • als het periodiek verrekenbeding tijdens het huwelijk niet wordt uitgevoerd,
    moet bij het einde van het huwelijk alsnog worden verrekend (lid 1 en 3);

  • er geldt een bewijsvermoeden dat het aanwezige vermogen is gevormd uit niet-verrekend bespaard inkomen (lid 3).

In gewoon Nederlands:

Als je uit elkaar gaat, kijkt de rechter naar wat er dán aan vermogen is (privé, beleggingen, extra vastgoed, BV/holding). Tenzij jij kunt aantonen dat bepaalde onderdelen níet uit bespaard inkomen komen, vallen ze gewoon in de verrekenpot.

En precies dat is waar het in de rechtspraak vaak misgaat. In diverse uitspraken wordt pijnlijk duidelijk hoe zwaar dit bewijsvermoeden weegt en hoe lastig het is om daar als ondernemer nog tegenin te lopen. De literatuur en rechtspraak over art. 1:141 BW zijn daar vrij eensgezind in.

2. Holding, hypotheek en privé-aflossingen: de onderneming tóch in de verrekening

In dit dossier was de hypotheek op de echtelijke woning volledig overgesloten naar de holding:

  • de holding loste de bank af en kreeg een vordering op privé;

  • vanuit haar privé-inkomen betaalde zij vervolgens jarenlang:

    • rente aan de holding,

    • én aflossingen aan de holding.

Economisch gebeurde dit:

  • de schuld van de holding aan de bank liep terug;

  • de holding werd sterker: er ontstond vermogen in de holding;

  • die vermogenstoename werd in belangrijke mate gefinancierd door haar privé-inkomen.

En dat inkomen valt – volgens de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden – juist wél onder het brede inkomensbegrip van het periodiek verrekenbeding.

Combineer dat met:

  • art. 1:141 BW (bespaard inkomen → vermoeden: verrekenbaar vermogen);

  • de lijn in de rechtspraak dat ook opgepotte winsten in een BV bij een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding (deels) in de verrekening kunnen worden betrokken;

en je krijgt dit plaatje:

De waarde-opbouw in de holding
– mede gevoed door haar privé-aflossingen op de lening vanuit de holding –
wordt bij een scheiding (grotendeels) in de verrekenmassa getrokken.

Voor iemand die denkt “ik heb huwelijkse voorwaarden om mijn BV te beschermen” is dat een hard ontwaken – iets wat ik in gesprekken over scheiden en financiële planning steeds weer moet uitleggen. Daarbovenop: in de oude akte kon de andere partner tot twee jaar ná de scheiding nog met een verrekenvordering komen. Met andere woorden: het volledige vermogen in de holding hing als een soort schaduw-claim boven haar hoofd, tot diep in de periode na een eventuele echtscheiding.

3. Kosten van de huishouding: jij betaalt, jouw vorderingen zijn beperkt

De oorspronkelijke akte sloot aan bij artikel 1:84 BW: de kosten van de huishouding moeten naar evenredigheid van ieders inkomen worden gedragen.

In theorie:

  • wie meer verdient, draagt ook een groter deel van de kosten;

  • als één partner structureel méér betaalt dan de verdeelsleutel, ontstaat een vergoedingsrecht.

In haar situatie:

  • zij was de hoofdkostwinner;

  • zij betaalde vrijwel alle vaste lasten, boodschappen en hypotheekrente;

  • haar vrouw droeg relatief beperkt bij.

De akte kende wel een vergoedingsregeling, maar met een addertje:

  • het vergoedingsrecht moest binnen een beperkte termijn worden ingeroepen;

  • niet-voldane kosten van de huishouding waren nog tot zes maanden na het einde van het huwelijk vorderbaar.

In theorie betekent dat:

  • je kunt bij scheiding nog zeggen: “ik heb jarenlang méér betaald dan de bedoeling was, dus ik wil verrekenen”;

maar in de praktijk:

  • is het lastig om na jaren exact te reconstrueren wie wat heeft betaald;

  • spelen verjaring en verval een rol;

  • en wordt bij scheiding via de open norm van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248 BW) regelmatig gematigd.

Daarmee zie je een ingewikkelde asymmetrie:

Zij draagt jarenlang de feitelijke lasten van wonen en leven, haar vergoedingsrechten zijn moeilijk bewijsbaar en tijdgebonden, terwijl de aanspraken van haar vrouw op de holding en het overige vermogen juist lang en ruim kunnen doorwerken.

4. Vakantiewoning Italië: inboedel en financiering helder uit elkaar trekken

Alsof dat nog niet genoeg was, zat er ook een vakantiewoning in Italië in de constructie. In de oude tekst dreigden twee dingen door elkaar te lopen:

  1. Inboedel
    De standaardformulering maakte dat “inboedel van vakantiewoningen” onder de gemeenschap van inboedel kon vallen. Dat betekent dat de inboedel van de vakantiewoning – terwijl de woning zelf privé van haar is – in de gezamenlijke pot zou zitten. Niet logisch en niet gewenst.

  2. Financieringslasten
    In de regeling van de kosten van de huishouding werden ook rente en lasten van leningen genoemd. Zonder nuancering kon dat de indruk wekken dat rente op een lening voor de vakantiewoning óók als kosten van de huishouding gold.

In de gewijzigde akte is dat rechtgetrokken:

  • de gemeenschap van inboedel ziet alleen op huisraad en stoffering van de gezamenlijke hoofdverblijf-woning (en eventuele andere woningen die zij samen als gezinswoning gebruiken);

  • de inboedel van de vakantiewoning valt expliciet buiten de gemeenschap en is volledig privé van haar;

  • de rente en aflossing op een eventuele lening voor de woning in Italië behoren niet tot de kosten van de huishouding en komen volledig voor haar rekening.

Zo voorkom je dat de inboedel van de vakantiewoning en de bijbehorende lasten ongemerkt “meeliften” in een gezamenlijke regeling. Dit soort finesse speelt overigens net zo goed bij stellen die eerst samenwonen en later trouwen en dan via “even snel” een akte denken alles af te dekken.

5. Pensioenen: verevening én Boon/Van Loon uitgesloten

Pensioen is vaak een onderbelicht thema in huwelijkse voorwaarden, zeker bij ondernemers. In de oorspronkelijke akte was pensioen ruim geregeld en konden oudedagsaanspraken worden verrekend of overgedragen.

In de nieuwe akte is dat fundamenteel omgegooid:

  • de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) is expliciet uitgesloten;

  • bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed vindt er geen enkele wettelijke verevening of verrekening van ouderdomspensioen plaats;

  • de aanspraken op nabestaandenpensioen blijven onaangetast, voor zover dat in de regelingen zelf is vastgelegd;

  • daarnaast is vastgelegd dat er geen recht op verdeling of verrekening van pensioenrechten bestaat op grond van:

    • redelijkheid en billijkheid,

    • maatschappelijke opvattingen,

    • of jurisprudentie – waaronder nadrukkelijk HR 27 november 1981, NJ 1982/503 (Boon/Van Loon) en daarop voortbouwende rechtspraak.

Kort samengevat:

Geen Wet VPS, geen Boon/Van-Loon-achtige verdelingen en geen creatieve pensioenverrekening via de achterdeur.

Voor haar betekent dit dat haar pensioenaanspraken (voor zover mogelijk) echt bij haar blijven, en niet alsnog half de deur uit lopen bij een scheiding.

6. Finaal verrekenbeding en kinderen uit eerdere relatie

Tot slot speelde er nog een finaal verrekenbeding bij overlijden:

  • bij overlijden zou worden afgerekend alsof er (nagenoeg) algehele gemeenschap van goederen was.

Voor iemand met kinderen uit een eerdere relatie is dat een spannende combinatie:

  • een groot deel van het vermogen kan bij overlijden via dat finale verrekenbeding bij de langstlevende partner terechtkomen;

  • de kinderen uit de eerdere relatie houden dan relatief minder over dan je misschien voor ogen had.

In de gewijzigde voorwaarden is dit finaal verrekenbeding geschrapt. De afwikkeling bij overlijden kan nu via testament en estate planning veel gerichter worden vormgegeven, waarbij de balans tussen partner en kinderen zorgvuldig kan worden afgestemd.

Geen VSO op papier, wél “man en paard” benoemd in de akte

In veel situaties los je het verleden op met een aparte vaststellingsovereenkomst (VSO). In dit dossier is ervoor gekozen om de uitleg, de bedoeling én de afstand van rechten niet in een losse VSO te gieten, maar vooraan in de notariële akte onder een kop als “Overwegingen vooraf / bedoeling akte”.

Daar wordt in gewone taal vastgelegd:

  • hoe er in het verleden feitelijk is gehandeld (niet-uitgevoerd verrekenbeding, haar betalingen, groei van de holding, vakantiewoning, pensioenen);

  • welke aanspraken haar vrouw in theorie had onder de oude huwelijkse voorwaarden en de wet (art. 1:84, 1:87, 1:141 BW, Wet VPS, Boon/Van Loon, finaal verrekenbeding);

  • dat zij begrijpt dát die rechten bestaan én wat de globale financiële impact is;

  • en dat zij daar bewust en weloverwogen afstand van doet voor wat betreft het verleden en de huidige vermogenspositie.

Hoe het níet moet

Wat je in de praktijk nog vaak ziet, is een vage formulering als:

“Partijen wensen hun huwelijkse voorwaarden aan te passen, omdat deze niet langer aansluiten bij hun huidige persoonlijke en financiële situatie.”

Dat klinkt vriendelijk, maar inhoudelijk zegt het niets. Er wordt niet genoemd wáár de andere partner recht op had, wat dat financieel betekent en waarvan precies afstand wordt gedaan. Precies dat soort vaagheid zie je terug in rechtspraak waarin aangepaste huwelijkse voorwaarden later alsnog worden vernietigd, bijvoorbeeld in HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:165, HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:762 en Rb Zeeland-West-Brabant 4 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4710.

Hoe het wél moet

De “man en paard”-benoeming doet het omgekeerde:

  • concreet benoemen welke rechten de andere partner onder de oude akte en de wet had (bijvoorbeeld aanspraken op de holding via art. 1:141 BW, vergoedingsrechten op grond van art. 1:84 BW, pensioenverdeling via Wet VPS en Boon/Van Loon, werking van het oude finaal verrekenbeding);

  • vastleggen dat de partner begrijpt wat die rechten inhouden en wat dat ongeveer betekent in geld en invloed;

  • en expliciet opschrijven dat hij/zij daar bewust afstand van doet.

In gewone taal wordt daarbij ook benoemd wat het in de praktijk betekent, bijvoorbeeld dat de partner begrijpt dat er “op papier” aanzienlijke aanspraken op vermogen en onderneming mogelijk waren, maar dat er nu bewust voor wordt gekozen om die niet (meer) te gebruiken – ook niet bij een eventuele toekomstige scheiding.

Zo maak je de akte veel beter bestand tegen een beroep op dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden (art. 6:228 BW en art. 3:44 BW) of een Pauliana-actie (art. 3:45 BW).

Extra waarschuwing: wijzigen als je eigenlijk al wilt scheiden

Een belangrijk spanningsveld – ook in dit dossier besproken – is de situatie waarin één van de partners de huwelijkse voorwaarden wil wijzigen, maar in zijn of haar achterhoofd eigenlijk al aan scheiden denkt.

Als jij:

  • je voorwaarden zó wilt aanpassen dat je bij scheiding beter uit bent;

  • ondertussen al stevig over scheiding nadenkt;

  • en dat niet openlijk op tafel legt,

dan kom je dicht bij:

  • dwaling (art. 6:228 BW): “ik had nooit getekend als ik had geweten dat jij wilde scheiden”;

  • bedrog/misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW);

  • en mogelijk een Pauliana-actie (art. 3:45 BW) als het neerkomt op benadeling in het zicht van scheiding.

Rechters kijken dan scherp naar:

  • de tijdslijn tussen wijziging en scheidingsverzoek;

  • interne en externe communicatie (mail, appjes, notities) over scheidingsplannen;

  • en de onderlinge machtsverhoudingen (DGA vs. niet-ondernemende partner, maar ook verschil in opleidingsniveau).

In combinaties die lijken op de casus in Rb Zeeland-West-Brabant 4 juni 2025 kan dat ertoe leiden dat de wijziging (en alles wat daarmee beoogd werd veilig te stellen) alsnog wordt vernietigd.

Mijn advies als je serieus over scheiden nadenkt:

  • schakel eerst een gespecialiseerde familierechtadvocaat in (bij voorkeur vFAS);

  • zet het traject “wijziging huwelijkse voorwaarden” tijdelijk on hold;

  • laat de advocaat uitrekenen wat onder de oude voorwaarden ongeveer de posities zijn;

  • bepaal samen of:

    • je direct naar een scheidingsconvenant gaat, of

    • dat er nog ruimte is voor een eerlijke wijziging van de huwelijkse voorwaarden,
      mét volledige openheid richting de ander.

Wat kun jij hiermee als DGA in (de regio) Utrecht?

Misschien herken je jezelf in (een deel van) dit verhaal:

  • je bent DGA of ondernemer;

  • je hebt ooit huwelijkse voorwaarden getekend “om het bedrijf te beschermen”;

  • er staat iets in over jaarlijks verrekenen, maar er wordt nooit verrekend;

  • er loopt een hypotheek of andere financiering via de holding;

  • jij betaalt in de praktijk de meeste kosten van de huishouding;

  • er is een vakantiewoning of extra vastgoed;

  • er zijn kinderen uit een eerdere relatie;

  • en je weet eigenlijk niet of je onderneming, je kinderen én jijzelf wel écht goed beschermd zijn.

Dan is de kernboodschap:

Huwelijkse voorwaarden zijn geen geruststellend label, maar een juridisch systeem dat moet kloppen met de praktijk.

In dit Utrechtse dossier hebben we uiteindelijk bereikt dat:

  • de onderneming en holding wél helder beschermd zijn;

  • het periodiek verrekenbeding en het finale verrekenbeding zijn verdwenen;

  • pensioenverevening én Boon/Van-Loon-verdeling expliciet zijn uitgesloten;

  • de vakantiewoning en de bijbehorende inboedel en lasten juridisch zuiver zijn afgebakend;

  • en de bedoeling van partijen – inclusief afstand van aanspraken over het verleden –
    in gewone taal in de akte staat, met man én paard genoemd.

Heb jij een set huwelijkse voorwaarden waarvan je eigenlijk vooral weet dat ze “ooit per mail van de notaris zijn gekomen”? Dan is het misschien tijd om er, net als deze onderneemster uit de regio Utrecht, eens écht juridisch én financieel goed naar te laten kijken– of je nu in (de regio) Utrecht, elders in het land, in een traject rond scheiden of juist aan het begin van samenwonen en trouwen staat.

Wil je weten hoe ik werk en waarom ik zo nadrukkelijk kijk naar de combinatie van recht, financiën én praktijk? Op mijn over mij-pagina leg ik uit wie ik ben, hoe ik adviseer en waarom ik geen producten verkoop maar alleen onafhankelijk advies geef. Twijfel je over jouw eigen huwelijkse voorwaarden of over de gevolgen bij scheiding, samenwonen of trouwen, neem dan gerust contact op via de contactpagina voor een vrijblijvende kennismaking.

Bronnen

  1. Burgerlijk Wetboek – Huwelijksvermogensrecht

  2. Burgerlijk Wetboek – Verbintenissen en redelijkheid/billijkheid

  3. Burgerlijk Wetboek – Wilsgebreken en Pauliana

  4. Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS)

  5. Hoge Raad 27 november 1981, NJ 1982/503 (Boon/Van Loon)

  6. Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:165

  7. Hoge Raad 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:762

  8. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4710

Veel gestelde vragen

1. Hoe weet ik of mijn huidige huwelijkse voorwaarden als DGA “veilig” zijn?
Je krijgt pas echt inzicht als iemand jouw akte én jouw huidige praktijk naast elkaar legt. Let in ieder geval op signalen als: een periodiek verrekenbeding waar nooit iets mee is gedaan, vage bepalingen over “kosten van de huishouding”, een finaal verrekenbeding bij overlijden en onduidelijkheid over de BV/holding. Klopt de juridische tekst niet met hoe jullie in het echte leven met inkomen, vermogen en kosten omgaan, dan is dat een rode vlag. In zo’n geval is een onafhankelijke scan geen luxe, maar risicobeperking.

2. Wat is een periodiek verrekenbeding en waarom is het zo risicovol als je het nooit uitvoert?
Een periodiek verrekenbeding zegt in feite: elk jaar verdelen we wat er van onze inkomens overblijft na de kosten van de huishouding. In de praktijk wordt dat zelden gedaan en blijven er geen verrekenstaten achter. Dan komt artikel 1:141 BW om de hoek kijken: bij het einde van het huwelijk moet alsnog worden verrekend en wordt vermoed dat het aanwezige vermogen uit “bespaard inkomen” bestaat. Vooral voor ondernemers en DGA’s kan dat betekenen dat (een groot deel van) de BV/holding in de verrekenpot valt, zelfs als je dacht dat alles netjes gescheiden was.

3. Waarom is die “man-en-paard”-uitleg zo belangrijk bij het wijzigen van huwelijkse voorwaarden?
Omdat je daarmee laat zien dat de andere partner écht weet waarvan hij/zij afstand doet. Je benoemt concreet welke rechten er onder de oude akte en de wet bestonden (bijvoorbeeld op de holding, op overgespaard inkomen, op pensioenen of op een finaal verrekenbeding) en wat dat ongeveer betekent in geld en invloed. Vervolgens leg je vast dat de partner die rechten kent, de strekking begrijpt en daar bewust afstand van doet. Dat maakt de akte veel beter bestand tegen een beroep op dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden achteraf.

4. Heb ik altijd een aparte vaststellingsovereenkomst (VSO) nodig, of kan het ook in de akte zelf?
In veel situaties wordt voor het verleden gewerkt met een losse VSO. In sommige dossiers is het echter net zo goed verdedigbaar om de feitelijke gang van zaken, de oude rechten én de afstand daarvan op te nemen in de notariële akte zelf, bijvoorbeeld onder “Overwegingen vooraf / bedoeling akte”. Belangrijk is dat die toelichting inhoudelijk hetzelfde werk doet: helder, concreet en in begrijpelijke taal. Of het een VSO + akte wordt, of één akte met een uitgebreid man-en-paard-deel, is maatwerk en hangt af van jouw situatie en de voorkeur van notaris/advocaat.

5. Is het verstandig om mijn huwelijkse voorwaarden te wijzigen als ik eigenlijk al aan scheiden denk?
Dat is precies het scenario waarin je erg voorzichtig moet zijn. Als je voorwaarden wijzigt om je positie bij scheiding te verbeteren, maar je partner denkt dat het “voor de toekomst samen” is, dan ligt een beroep op dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden (art. 6:228 en 3:44 BW) op de loer. Zeker als er snel na de wijziging een scheidingsverzoek volgt, kijkt de rechter scherp naar timing, motief en onderlinge machtsverhoudingen. Denk je serieus aan scheiden, dan hoort je eerste gesprek bij een gespecialiseerde familierechtadvocaat te liggen, niet bij de notaris.

6. Waarom zou ik naast de notaris ook een onafhankelijk financieel-juridisch adviseur inschakelen?
Een notaris legt vast wat partijen overeenkomen en toetst of de akte juridisch klopt. Een onafhankelijk adviseur kijkt breder: naar jouw totale financiële plaatje, de onderneming/holding, pensioen, kinderen uit eerdere relaties en de praktische uitvoerbaarheid van wat er op papier komt te staan. Zeker bij complexe situaties (DGA, holding, extra vastgoed, oude huwelijkse voorwaarden met verrekenbedingen) helpt het als iemand vóór je naar de akte kijkt en met je meedenkt over scenario’s als scheiding en overlijden. Zo vul je elkaar aan: de adviseur voor de integraal-financiële lijn, de notaris voor de juridische verankering.

 
Volgende
Volgende

Casus: Vervroegd met pensioen in Spanje, kan dat?